dinsdag 18 februari 2014

Goedemorgen, goedemiddag

We waren rond kwart over elf bij het crematorium in Assen voor een uitvaart om een uur. Ruim bijtijds dus. En ook een geschikt moment om even (na de drie uur durende rit vanaf Breda) een broodje of iets anders te eten. We kwamen terecht bij de Bonte Wever een centrum dat door een vorige generatie zou worden aangeduid als een uitspanning. De Bonte Wever herbergde niet alleen gelegenheid voor een drankje en een broodje, maar ook een grill-restaurant, een feestzaal, en een fitness-centrum met zwembad. Maar op deze vrijdagmorgen moest de echte drukte nog beginnen.
'Goedemorgen,' zei de man die ons passeerde op weg van de fitnessruimten naar de uitgang.
'Of goedemiddag,' voegde hij er aan toe. Hij keek op zijn horloge:
'Nee, het is nog morgen.'
De klok wees inmiddels enkele minuten voor twaalf. Ik word altijd getroffen door deze vorm van nauwkeurigheid.
Goedemorgen is naar de vorm mijns inziens een wens. Een wens die voluit zou kunnen luiden: Ik wens u een goede morgen. Een wens die duidelijk genoeg is in een gemeenschap van mensen die elkaar iedere dag ontmoeten. Een goedemorgen is dan belangrijk genoeg: ik wens je geen tegenslagen, geen ongelukken, geen problemen met je computer, noem maar op. Maar een dergelijke wens uitspreken om vijf voor twaalf als de ochtend vrijwel voorbij is lijkt haast zinloos (hoewel een ongeluk in een klein hoekje zit). Op zo'n moment lijkt een goedemiddag veel meer op zijn plaats. Ik heb dan ook vaak de neiging om op zo'n moment iets te antwoorden in de trant van: insgelijks, maar ik wens u ook een goedemiddag en zelfs een goede avond.
Dat niet alleen: ik onderdruk die neiging niet altijd.
Goedemorgen blijkt in de praktijk geen wens, maar een groet. Een groet die niet veel meer wil zeggen dan: ik heb u gezien. Wij zijn elkaar tegen gekomen gedurende de ochtend want het was voor twaalf uur. Aan mijn vriendelijke stem kunt u horen dat ik u geen negatieve gevoelens toedraag (voor twaalven).
Het is gelukkig dat we zo precies weten wanneer het ochtend is en wanneer niet meer. Want hoe zit dat eigenlijk met de middag; het begin weten we, maar wanneer eindigt de middag en begint de avond? Meestal maken we ons er niet zo druk over. We laten iedereen op zijn horloge kijken om te zien of de avond is aangebroken. In deze gedemocratiseerde wereld is het tegen het eind van de middag (wanneer dat ook is) meestal voldoende om te roepen:
'Hai.'    

maandag 10 februari 2014

Buurvrouw

We zijn dit jaar 45 jaar weg uit Heiloo, waar we met onze buren, net als wij, nieuw in die omgeving een gespreksgroepje opzetten om mensen te leren kennen. De buurvrouw schilderde, ze maakte krijttekeningen van onze kinderen en ze kleurde de poppetjes van ons kerststalletje. Hun kinderen waren van de leeftijd van onze kinderen; ze speelden met elkaar op het braakliggende terrein voor onze deur. Met de buren samen haalden we zand voor onze zandbak in Egmond aan Zee.
Sindsdien hebben een spaarzaam contact met vooral de buurvrouw van toen. Na een jaar of vijf vertelde ze ons telefonisch dat ze lesbisch was. Het was vanuit haar katholieke achtergrond een moeizame 'coming-out'. Dat ze ons belde had er onder meer te maken dat wij op dat moment in Breda op een veilige afstand woonden. Onze toen vroegere buren bleven voor de kinderen bij elkaar en slaagden erin met elkaar een leefbare situatie op te bouwen (voor zover wij konden beoordelen).
Een enkele maal bezochten we elkaar, met verjaardagen werden en worden er kaarten uitgewisseld. Inmiddels zijn ze toch al achttien jaar gescheiden en woont zij al even lang in een huis in Hilversum.
Deze week bezochten we haar voor het eerst in dat huis, wat laat zien hoe spaarzaam ons contact is. Ze was in haar gezicht weinig veranderd. De lijnen waren wat scherper geworden, maar ik herkende nog de felle dynamische vrouw die ze ooit was. Haar lopen was moeizaam, ze liep op een curieuze manier krom: met de kromming in de heup, maar een vrijwel rechte rug. Ze ademde opvallend, met ieder ogenblik een pufje - het leek nog het meest op de ademhalingsoefeningen bij de zwangerschap.
Toen ze ons thee had ingeschonken vertelde ze dat ze geen auto meer reed, haar ogen waren te slecht. Ze had vroeger glaucoom gehad en haar oogarts durfde een staaroperatie niet meer aan. Ze las de krant nog wel, maar daar had ze een vergrootglas bij nodig. Een boek daar kwam ze helemaal niet aan toe.
Ze vertelde met monotone stem, zo nu en dan herhalend wat ze al eerder had verteld. Het kostte me moeite de nodige concentratie op te brengen en haar verhaal te volgen.
Naar aanleiding van het feit dat ik een tijdlang heen en weer had gereisd naar mijn zus in Den Haag vertelde ze dat zij de enige was die nog leefde van het gezin van vijf waarin ze was opgegroeid.
Maar zij was er nog, ze wordt volgende week 82. Ze kon nog wel lopen met een rollator, een minuut of twintig; dat probeerde ze wel iedere dag te doen. Met de rollator om het blok heen lopen, dat kostte ongeveer twintig minuten. Ze kreeg haar boodschappen via de SRV die twee keer per week langskwam. Ze kookte niet meer zelf, ze nam eigenlijk van de SRV altijd kant en klaar maaltijden. De dichtstbijzijnde winkel was de apotheek...
Voor het huishouden kreeg ze wel hulp van haar kleinkinderen, maar ze had liever de hulp van de oudste die lette beter op wat nodig was en nam ook stof af van de schilderijen. De jongste die zag dat soort dingen niet.
De kamer hing vol met schilderijen, vermoedelijk eigen werk, ze waren in een stijl die goed bij haar paste. Maar schilderen kon ze ook niet meer: ze kon het niet meer zien.
We kusten elkaar bij het weggaan drie keer op de wangen, zoals dat hoort tegenwoordig. Het is een gebaar dat ondenkbaar was toen we elkaar leerden kennen meer dan vijftig jaar geleden. Toen zeiden we meneer en mevrouw en spraken elkaar aan met u. Het duurde tot we allebei een kind hadden voor die barrière werd geslecht.

donderdag 6 februari 2014

Bijhouden

Daar ligt altijd nog de dreiging van mijn kleinzoon Richard, dat hij me met schaken zal verslaan over vijf jaar. Die dreiging kreeg ik omstreeks mijn 75e, en dat betekent dat dat evenement zal moeten plaatsvinden rond mijn 80e. Nu heb ik veel geschaakt, maar dat was vroeger. Om de genoemde dreiging tegemoet te treden moet ik toch zo nu en dan eens kijken hoe het ook al weer was. Gelukkig weet ook Freerk van wanten, zodat we nu via het internet aan het schaken zijn. Oude tijden herleven: dit is correspondentieschaak met nieuwe technieken. Het is duidelijk: ik moet weer aan het studeren, want er is nogal wat veranderd in het schaken en mijn kennis van vooral de openingen stelde al nooit veel voor. Het schaakbord dat meer dan twintig jaar onder mijn bureau heeft gestaan ligt nu weer op tafel. Het internet schaakprogramma laat je toe met een arbitraire ELO-rating van 1200 punten. Zou ik daar nog weer bovenuit kunnen komen?
Inmiddels is daar ook Wordfeud, een van de apps voor tablets. Ik speel tegen Benna en Anneke. Tegen Benna heb ik een handicap. Om de een of andere reden spelen we volgens het Franse woordenboek. Dwz in beginsel, want het komt nogal eens voor dat ik een voor mij onbekend woord opzoek dat Benna gespeeld heeft en het woordenboek het ook niet kent. Bovendien hanteert Benna volgens mij een aantal anglicismen, waarvan ik niet weet dat ze in Frankrijk geaccepteerd worden. Trouwens ook het Nederlands levert problemen op: sex moet volgens Wordfeud geschreven worden als seks, maar sexen wordt geaccepteerd als goed. Om mijn tegenstanders van repliek te dienen heb ik toch wel een kwartier per dag nodig. Een mens wil zich ook niet zomaar in de pan laten hakken, nietwaar?
Als lid van de technische commissie heb ik denk ik ongeveer een halve dag per week nodig. Dat komt door ongeregelde telefoontjes, gesprekken met monteurs en leveranciers en wat daarmee samenhangt.
Dan is er natuurlijk ook nog mijn trekzak. Ik geef toe die kijkt me ook vaak verwijtend aan dat ik zo weinig speel. Ook hier is mijn speelsterkte niet bijzonder. Maar om mijn talenten niet helemaal te laten verschrompelen moet ik het toch een beetje bijhouden, zeg een twintig minuten per dag? Dat is net genoeg om de melodieën die ik al kende een beetje bij te houden. Wat nieuws instuderen kost een hoop tijd. Tijd die ik ook nodig heb om mijn verzameling foto's een beetje geordend te houden. Digitaal gaat dat weliswaar gemakkelijker dan met het papieren album en fotohoekjes, maar het komt toch regelmatig voor dat ik me afvraag: waar was die gevel ook al weer? Dus nu als ik een serie foto's gemaakt heb, achter de computer, uploaden, in een album stoppen per plaats en taggen. Maar het kost toch enige tijd en je moet het bijhouden. Ook hier verandert de techniek vliegensvlug. Voor je het weet neem je niet alleen foto's met je SLR (single lens reflex)-camera, maar ook met je tablet en met je mobiele telefoon. En alles moet worden vastgelegd. Dat is leuk voor later. Later?
Ik moet natuurlijk aan mijn lichaamsconditie werken. Ook dat versloft zo nu en dan een beetje. Maar wat vrij goed lukt is mijn wandeling op zondagochtend en vaak - zij het niet altijd - het biljarten op woensdagmorgen.
Tja, zo nu en dan koop ik een boek, want lezen dat moet je ook bijhouden. Dus economie, ja dat moet je bijhouden, want dat was deel van mijn opleiding en management, dat ook. Ik zie met lede ogen hoe de ene boekhandel na de andere het moeilijk krijgt. Mijn e-reader raakt dan ook steeds meer gevuld met boeken die ik eigenlijk gelezen moet hebben. Nu alleen nog de rust en de tijd vinden. Want het leven gaat gewoon door met de maaltijden, die je moet bijhouden om maar niet te praten over de slaap, de sociale contacten en nog wat van die dingen.
Een van mijn afwijkingen is dat ik mijn computers met Linux bestuur. Ik heb dan ook geen last van de problemen die Microsoft oproept, maar daarvoor in de plaats dan weer andere. Ook dat moet ik bijhouden. Nieuwe programmatuur, nieuwe distributies...
O ja, ik zou het haast vergeten: ik moet nog een stukje schrijven voor een inleiding, me voorbereiden op het Van Staveren Genootschap en mijn blog bijhouden.

 

zaterdag 1 februari 2014

Ons dorp

Ik heb het al geruime tijd niet meer gehad over de gebeurtenissen in ons dorp. Dat zou kunnen betekenen dat er al die tijd niets gebeurd is dat de aandacht verdient, zoals je in de stroom der dingen iets alleen waarneemt, waar kúnt nemen, als het zich onderscheidt van andere dingen.  Ik zal daarover op dit moment niet verder filosoferen. Wel kan ik constateren dat het niet betekent dat er niets veranderd is in de afgelopen tijd. Veel veranderingen waren in de personele sfeer, van mensen die vertrokken en anderen die kwamen. Een vrij normaal proces eigenlijk. Zo vertrok mevr. A. naar een zorgappartement en met haar verdween haar geluidsprobleem. Geluiden hebben overigens een opmerkelijk effect op mensen. Sommige mensen hebben een tamelijk grote wat ik zou willen noemen geluidstolerantie. Ze maken zich niet druk over de geluiden in hun omgeving. Ik denk dat de meeste kinderen worden geboren met een tamelijk grote geluidstolerantie. De ervaring leert dat baby's slapen en doorslapen ook als naast hun wieg de volwassenen gewoon doorpraten. Anderen hebben een zeer lage geluidstolerantie. Ze vangen ieder geluid op en soms denk ik dat ze gaan liggen - want dat gebeurt meestal 's nachts - wachten tot het geluid weer komt. Van wachten tot een geluid komt (vooral een geluid dat je niet kunt thuisbrengen) tot het moment dat je je daaraan ergert is maar een beperkte stap. 
Het zijn kennelijk de geluiden die bij de omgeving horen. Mevr. A. was niet de enige die zich hinderde aan een geluid. Ik ben dus geruime tijd bezig geweest met het zoeken naar de bron van een geluid dat twee bewoners van de A-straat hinderde. Ik heb de oorzaak niet kunnen vinden, maar ik heb de bewoners er ook al geruime tijd niet meer over gehoord.
Inmiddels is ook mevr. Br. verhuisd en opgevolgd door mevr. E. Mevr. E wordt al geruime tijd om een uur of vier in de ochtend gewekt door het lawaai dat uit de buizen van haar centrale verwarming lijkt te komen. Ontluchting van het systeem, een hulpmiddel dat ook bij andere problemen een oplossing biedt, leek aanvankelijk te helpen, maar dat was maar tijdelijk. Mevr. E. vindt eigenlijk dat vier uur een beetje vroeg is om op te staan. Ik kan dat met haar meevoelen.
Een dorp is een beetje een gemeenschap. Over de zaken die voor ieder van belang zijn moeten compromissen worden gesloten. Over het tijdstip waarop de cv van de dag in de nachtstand moet bijv. Daarom kreeg ik van de heer V. een e-mail die een beetje bozig klonk (ik moet even nadenken over het klinken van een e-mail). De verantwoordelijke had kennelijk vergeten de automaat naar de wintertijd te zetten. Ik weet niet zeker of ik de verantwoordelijke ben, maar heb in ieder geval eens gekeken of ik de instelling zomer- en wintertijd zou kunnen controleren. Dat bleek niet het geval: het gaat automatisch. Maar bij nader inzien bleek dat de klok van de cv voorliep. Ongeveer drie kwartier. De klok is weer bijgesteld en wat blijkt: mevr E. kan nu ook weer drie kwartier langer doorslapen. Er lijkt een verband. 
  

donderdag 23 januari 2014

Twintig jaar later

Na de uitvaartdienst verzamelen de bezoekers zich in de koffiekamer van de kerk. Ik ga zitten naast Anneke die inmiddels in gesprek is met iemand uit haar kennissenkring, een ex-militair. In de loop van het gesprek word ik er op attent gemaakt dat de man naast de ex-militair Alkemade heet. Een opvallende naam die me deed vragen waar deze meneer Alkemade vandaan kwam. Uit de Haarlemmermeer geloof ik, zei mijn gesprekspartner.
Hé, vroeg ik, is hij een broer van Dik Alkemade.?
Dat bleek het geval. Ik stond op en schudde de heer Alkemade de hand. Hij keek me een beetje vaag aan: de toelichting van zijn vrouw dat ik zijn broer Dik had gekend verheugde hem.
'Maar,' zei hij, 'die is al jaren dood. Ik heb het niet zo gek gedaan,' voegde hij er aan toe, 'ik heb het gebracht tot generaal majoor.'
De dood van Alkemade had indertijd nogal wat opzien gebaard. Een dramatisch gebeuren, maar voor mij leek het ook toen al een voorbeeld van een 'rijmende dood'. (De rijmende dood, Alfred Kossmann, 1959).
Ik kende Alkemade als chef van de afdeling Volkshuisvesting, een bescheiden jurist, die vaak het gevoel gaf dat hij de wereld om hem heen slechts met moeite kon volgen. Hij was naar ik me herinner getrouwd met een vrouw die aan kanker overleed en hertrouwde met haar zus die na verloop van tijd eveneens aan kanker overleed. Aan het eind van de jaren 70 betrok hij een groot huis in de eerste woonbuurt in de Haagse Beemden. Hij ging met pensioen toen - mede door mijn toedoen - de afdeling Volkshuisvesting werd opgeheven. 
Ik interviewde Alkemade in mei 1994. Hij was toen volgens mij 72 en had één grote wens: een cruise maken en een groot deel van de wereld zien. En inderdaad in het laatste kwartaal van 1994 ging Alkemade scheep met de Achille Lauro, het schip dat in Nederland was gebouwd als de Willem Ruys. Men voer door de Middellandse Zee en het Suez kanaal de Indische Oceaan op en daar, ter hoogte van Somalië, brak brand uit. De Achille Lauro maakte slagzij en zonk. Vrijwel alle opvarenden werden gered; slechts twee Britten en twee Nederlanders gingen met het schip ten onder. Een van de twee Nederlanders was Alkemade. Het verhaal ging, dat Alkemade met alle passagiers aan dek was verzameld en toen men op het punt stond van boord gehaald te worden, om onduidelijke redenen terug ging naar zijn hut. Men heeft hem daarna niet meer terug gezien... 

donderdag 16 januari 2014

Multitasking (2)

Multitasking als fenomeen op de computer is allang niet meer interessant. In de huidige tijd kunnen computers zoveel taken tegelijkertijd verrichten, dat wij niet meer in staat zijn ze te bedenken. Nee multitasking is allang getransponeerd naar de activiteiten van individuen in de hedendaagse maatschappij. Hoe werkt dat?
Als ik mij op woensdagochtend klaarmaak voor het wekelijkse uurtje biljarten, moet ik er aan denken dat vanmiddag de man van de elektriciteit komt om te kijken naar de besturing van de radiator op de badkamer. Hij is al eerder geweest, maar zijn interventie heeft niet veel geholpen.
In het tweede partijtje biljarten slaag ik er in om met een wat gelukkige stoot de afsluitende driebander op de tafel te leggen, waarmee dat potje wordt gewonnen.
De man van de elektriciteit komt iets vroeger dan verwacht, We zitten dan nog aan onze lunch. Zijn conclusie - die ik wel kan delen: de thermostaat werkt, de radiator werkt, maar de communicatie tussen beide is niet erg goed. Bij de vraag naar de besturing van machines door machines blijven we met de voortdurende vraag of machines kunnen denken. Wat is dat eigenlijk denken?
Er is daarna nog tijd genoeg om met de buurman een nieuwe laptop te kopen want de oude vertoont teveel tekenen van hoge leeftijd met de daarmee samenhangende verschijnselen van vertraagde werking. Hij kiest uiteraard een laptop met het nu actuele Windows 8. Ik zal nog 'even' wat ondersteuning moeten geven om de zaak aan het werk te krijgen, en hem er vertrouwd mee te maken, maar W8 is ook niet mijn specialiteit. In mijn optimisme speel ik hier vermoedelijk weer teveel op zien komen.  
Ik moet er trouwens aan denken dat ik een zet moet doen in de schaakpartij tegen Freerk die inmiddels weer in de VS zit. Die partij doet me er trouwens weer ervaren met hoeveel stress het schaken gepaard kan gaan. In de cruciale fase van de partij wordt ik 's nachts wakker met de vraag of Ph4 een goede zet zal zijn. Als hij op h4 afruilt vervalt in ieder geval de aanval van zijn loper op a3. Maar wat heb ik eigenlijk als hij wel afruilt? Ik ga er eigenlijk vanuit dat zijn paard op b3 niet veel kwaad zal kunnen, maar ik zie pas veel later dat hij via a5 met de dame een dubbele aanval op c3 heeft. Die schaakpartij speelt zich af op mijn Asus tablet. Maar een schaakpartij is niet louter het heen en weer schuiven van stukjes hout op een bord van 64 hokjes. Een schaakpartij is een gevecht tegen een tegenstander met verborgen strategieën, met dreigingen en tegendreigingen.
Als ik de tablet aanzet moet  ik ook bedenken wat ik zal doen in de drie partijtjes Wordfeud, waar Anneke en ik mee bezig zijn. Zij geeft natuurlijk nieuwe woorden bedacht waar ik een antwoord op moet vinden. Maar Wordfeud is, voorlopig althans, niet al te enerverend.
Aanstaande dinsdag heb ik weer een gesprek met K. En K. verwacht, denk ik, dat ik wel weer wat gelezen zal hebben dat voeding zal geven aan onze discussie. Onze discussie ging over discipline, maar inmiddels ben ik tot de conclusie gekomen dat discipline, cultuur, orde, moraal en structuur nadrukkelijk met elkaar samenhangen.  En dan kom ik toch weer dicht bij het thema van mijn proefschrift. Daar moet ik de komende dagen tocht nog nog wat voor op papier zetten. Kan ik in die tijd ook nog wat doen aan het verhaal over Jean Francois? Jean Francois werd geboren uit een opwelling, nu ook al weer meer dan twintig jaar geleden, in de tijd dat ik nog werkte. Maar ik heb hem weer opgepoetst voor de bijeenkomst van de Bavelschrijvers van gisteravond. Hoe moet dat verhaal verder? Als het verder moet? De Bavelschrijvers lijken er wel wat in te zien. Maar ook zo'n verhaal kost tijd. En de nodige research, natuurlijk.
En hoe moet het dan met Paul? Uit het boek van Jan Brokken: "De Wil en de Weg" komt op een geven ogenblik naar voren dat een verhaal alleen verkoopbaar is als er een gezonde mix is van spanning, seks en religie. Juist van de seks en de religie zit er nog te weinig in, terwijl er toch voldoende aanleiding is in een verhaal over de 8e eeuw.  De opvattingen van de katholieke kerk hadden nog maar net gezegevierd en er waren nog vele ketters en heidenen. Daar moet ik nog eens over nadenken. Als Paul inStraatsburg komt kan hij misschien gered worden door een aantrekkelijke schone...
Als ik 's middags met de buurman in de auto zit om een nieuwe laptop te kopen dringt zich inderdaad de vraag op:
Is dit nu multitasking?

Multitasking

Toen computers nog nieuw waren - zo in het midden van de jaren 80 van de vorige eeuw - was multitasking iets bijzonders. Een computer kon maar één ding tegelijkertijd. Maar omdat een computer een apparaat was dat, zoals een collega het uitdrukte, met een geweldige snelheid stond te wachten, moest het mogelijk zijn om in de wachttijd iets anders te doen. De eerste versie van Windows kon al twee of meer dingen tegelijkertijd (althans voor de externe waarnemer). Hij kon een document printen terwijl je aan een ander bezig was verder te werken. De computer kon multitasken. Toen ik de foto van een goede vriendin op facebook aantrof achter haar computer met twee toetsenborden, was het duidelijk dat zij (volgens haar) ook aan het multitasken was.
De mens is een typisch voorbeeld van iets dat kan multitasken. Zie bijv. Het Denken(1988) van Marvin Minsky: "U weet dat dat u alles denkt en doet dat door u gedacht en gedaan wordt. Maar wat is een 'u'? Welke soorten entiteiten werken samen in uw hoofd om uw werk te doen? Als u in wilt zien hoezeer de menselijke geest op een maatschappij lijkt, probeer dit dan eens: neem een kopje thee!
Uw grijporganen willen het kopje blijven vasthouden.
Uw evenwichtsorganen willen voorkomen dat er wordt gemorst.
De dorstorganen willen dat de thee gedronken wordt.
De bewegingsorganen willen dat het kopje naar uw mond wordt verplaatst.
Maar dit alles houdt u natuurlijk niet bezig, aangezien u door de kamer loopt terwijl u met uw vrienden praat. U denkt niet of nauwelijks aan Evenwicht, Evenwicht heeft geen belangstelling voor Grijpen; Grijpen interesseert zich niet voor Dorst en Dorst let niet op uw persoonlijke verwikkelingen. En waarom niet? Omdat ze op elkaar aankunnen. Als elke zijn eigen kleine opdracht verricht dan zullen ze alle te zamen in de grote opdracht slagen: thee drinken."
De menselijke geest als maatschappij, een aantrekkelijke analogie: de bakker interesseert zich maar matig voor het werk van de slager, de slager denkt nog niet aan het werk van de loodgieter, maar zij en vele anderen zorgen samen voor mijn comfort.
Vrouwen zijn bij uitstek multitasking, zegt men. Zij zijn - beter dan mannen - in staat eten te koken, de baby te verschonen, op de kat van de buren te passen en ondertussen een gesprek te voeren al dan niet over de telefoon. Multitasking kwam ook even naar voren bij de Bavelschrijvers (van wie u nog wel vaker zult horen) naar aanleiding van de vraag of aandacht voor bier wel samen kon gaan met het pakken van een puzzelboekje. De vraag werd niet definitief beantwoord. Ik ga voorlopig even uit van dichterlijke, of auteursrechtelijke vrijheid.

woensdag 15 januari 2014

Horen

Een van de geneugten van het ouder worden is dat al je faculteiten achteruit gaan. Dat begint al op jonge leeftijd. In extreme vorm wordt wel geconstateerd dat je begint te sterven op het moment van je geboorte. Dat is wellicht wat overdreven, omdat de meeste faculteiten nog moeten worden ontwikkeld na je geboorte, maar toch. We zien het het meest duidelijk in de sport waar dertigers in de meeste gevallen al over hun top heen zijn. Mijn bewondering ging dan ook uit naar Ard Schenk (denk ik) die ooit zei dat hij het verval in prestaties na zijn topjaren mee wilde maken. Dat was nog eens accepteren van je eigen eindigheid. Maar ook mensen boven de 75 kunnen ervan meepraten. 
Het kwam niet helemaal als een verrassing toen Anneke vond dat ik toch eens naar mijn gehoor moest laten kijken. (kijken naar je gehoor is veel eenvoudiger dan horen naar je gezicht, maar dat daargelaten). Om me op te beuren ging ze meteen maar mee. We kwamen bij een goed bekend staande audicien die na zorgvuldig onderzoek tot het oordeel kwam: uw gehoor is ondermaats, maar omdat links en rechts verschillend blijken adviseer ik u naar een KNO-arts te gaan. Dat deed ik. De KNO arts deed ongeveer de zelfde tests als de audicien en kwam ook tot dezelfde conclusie: u lijdt aan een duidelijk gehoorverlies.  Hij voegde er iets nadrukkelijker dan de audicien aan toe dat een hoortoestel zou kunnen helpen. Op mijn voorzichtige vraag of ik er dan - zoals de audicien beweerde - beter twee zou kunnen nemen antwoordde hij bevestigend. Ja, dat was beslist beter.
Zoals gezegd, het oordeel kwam niet geheel als een verrassing. Ik vermoedde al langere tijd dat mijn zeven jaar in de machinekamer zijn sporen zou hebben achtergelaten. In die tijd liepen we met zijn tweeën wacht, maar als we iets tegen elkaar wilden zeggen moesten we wel zowat het oor van de ander opeten om verstaanbaar te zijn. De telefooncel voor de verbinding met de brug was van geluidwerend materiaal opgebouwd, maar dan nog moesten we met de hoorn in de ene hand het andere oor afdichten om te verstaan wat er gezegd werd.
Wat mij meer verwonderde was dat de achteruitgang van mijn gehoor zich volgens de grafiek zich met name voordeed vanaf ca 4000 Hz. Immers de gewone A heeft een frequentie van maar 440 Hz. Blijkbaar zijn de boventonen van belang voor het verstaanbaar maken van het gesproken woord. Enfin dus een gehoortoestel. Niet erg, want ik ben niet de enige. Maar sommige gebruikers in mijn omgeving hebben veel moeite met het gebruik: het apparaat galmt, is niet geschikt in bepaalde situaties, het helpt niet, op het cruciale moment is de batterij leeg, het knopje om het ding bij te stellen is niet te vinden...
Wellicht rekening houdend met deze en andere ervaringen van zijn klanten was mijn audicien uiterst terughoudend in zijn beloften over het succes van de apparaten en ik van de weeromstuit uiterst terughoudend in mijn verwachtingen. Maar na een uur knutselen waren mijn oortoestellen pas gemaakt voor mijn oren en zo goed mogelijk afgesteld. Ik was gewaarschuwd voor het feit dat mijn stem anders zou klinken en daar ging ik. Mijn grootste zorg na deze behandeling was overigens niet of het geluid goed zou zijn, maar of ik het apparaat er weer goed in zou kunnen krijgen als ik het er eenmaal uit had. Het geluid was goed, ik hoorde weer dingen die me lange tijd niet waren opgevallen. Na twee dagen moest ik met de hand voelen of ze er nog waren: ik voelde ze niet meer. Nu nog wachten op het moment dat een stem in mijn oor zegt: batterij is bijna leeg.
Ik ben erkend hardhorend.


vrijdag 3 januari 2014

Creatief schrijven

Na de cursus (creatief schrijven) moet natuurlijk mijn eigen praktijk volgen. Nou ja, nog niet meteen, want deel van de cursus was de aanbeveling om eens kennis te nemen van mensen die succes hadden met schrijven en er vervolgens adviezen aan verbonden. Een van die schrijvers is Jan Brokken. Toevallig viel de naam Jan Brokken nog een keer in die periode n.l. als schrijver van de Baltische zielen op het verlanglijstje van Anneke. Dus terwijl zij dat boek van Sinterklaas kreeg, schafte ik voor mezelf De wil en de weg aan als e-book (of is het e-boek?). Een nuttig boek, dat het betrekkelijke van elke classificatie laat zien. Zo zegt Brokken, je moet als schrijver je eigen methode aannemen: er zijn dagschrijvers en nachtschrijvers; er zijn schrijvers met een vast ritme die iedere dag een aantal uren schrijven, en anderen die in perioden schrijven, veel schrijvers maken aantekeningen, Brokken zelf ook en 95% van zijn aantekeningen wordt niet gebruikt. De een schrijft gehaast, de ander puzzelt over iedere zin een hele dag. Er blijken veel schrijvers te zijn die zich tijdens het schrijven van een boek volledig terugtrekken. Anderen die regelmatig mensen om zich heen moeten hebben. Ik herinner me dat van Erle Stanley Gardner verteld werd dat hij zijn Perry Mason verhalen dicteerde en al rondlopend aan vier of vijf verhalen tegelijk werkte, maar weet niet of dat waar is.
Een eigen werkmethode.
Wat doe ik zelf? Uiteindelijk ben ik langzamerhand op een leeftijd gekomen waarop een vaste werkwijze niet zou misstaan. Maar daar schort het toch aan. Nu is het wel zo dat ik nog maar twee boeken heb laten publiceren en dat waren boeken waarin het niet in de eerste plaats ging om een spannende plot en een meeslepend verhaal. Dus heb ik wel recht van spreken?
Wel heb ik vele notities geschreven. En als ik daarop af ga denk ik dat ik een impuls schrijver ben. Ik ga achter mijn computer zitten en gooi mijn emoties op het scherm. Dan blijkt na verloop van tijd dat de emotie wat afgenomen is en heb ik moeite het verhaal te voltooien. Een spannende openingszin, dat lukt vaak wel. Maar een spannend slot?
Het vervelende is dat ik na verloop van tijd het verhaal weer op moet nemen en verder moet. Maar de emoties van vandaag zijn niet die van gisteren; het kost moeite de draad weer op te vatten. Ik ben denk ik een stukjesschrijver. Zou ik een verhaal van lange adem kunnen maken?  Misschien kan de wiskunde van Steven Pressfield me wel helpen. Hij zegt: Een verhaal heeft een bepaalde indeling: een begin van 25%, dan een midden van 50% en dan nog een eind van 25%. Dat helpt; misschien. Want zegt Steven, het is maar een richtlijn en het kan ook anders.
Gelukkig maar.
Toch eens uitproberen...

zaterdag 7 december 2013

Oorzaken en pech

Bij de liftcontrole was gebleken dat een van de snelheidsbegrenzers ver versleten was. Hij moest worden vervangen. Deze week was het zover. Woensdag kreeg ik een telefoontje met de vraag of de monteur de volgende morgen kon komen.Ik had geen bezwaar en het had weinig zin de andere bewoners naar hun mening te vragen. Dus de volgende morgen stond de monteur op de stoep. Hij had een wagentje met materiaal bij zich dat precies in de lift paste. Ik wees hem de weg. Vervolgens vroeg ik hoe lang hij dacht nodig te hebben. Hij hoopte rond half een klaar te zijn. Dat was later dan ik verwacht had. Eigenlijk had ik dat beter de vorige dag kunnen vragen, dan had ik een briefje op kunnen hangen. En had men er rekening mee kunnen houden. Moest ik nu nog een aankondiging ophangen? Misschien toch maar doen al was dat als mosterd na de maaltijd. De mensen die met de lift wilden merkten vanzelf dat hij buiten bedrijf was. Mijn briefje gaf hooguit twee informaties: dat ik wist dat de lift buiten bedrijf was en waarom. Maar ik voel me als lid van de technische commissie een beetje verantwoordelijk. Dus ik hing toch een briefje op en  volgde de monteur bij zijn werkzaamheden.
Om half een was hij inderdaad klaar. Bij wijze van controle ging hij met de lift naar beneden en vervolgens weer etage voor etage naar boven om de briefjes lift buiten gebruik weer weg te halen. Alles werkte. Gereedschap en overig materiaal werd in het wagentje geladen en de monteur duwde op de 10e etage het wagentje naar de lift en drukte op de knop om delift op te roepen. Ik stond erbij om mee te gaan naar beneden.
'Het duurt wel lang,' zei de monteur na verloop van tijd. Ik moest dat beamen. Na nog even gewacht te hebben, zocht hij een schroevendraaier klom weer naar boven om de storing die er blijkbaar was te verhelpen. Het wagentje bleef op het portaaltje voor de lift staan en ik ging lunchen. Na de lunch was de storing nog niet verholpen. Een tweede monteur was onderweg. Ik werd een paar keer gebeld dat de lift het niet deed. Maar dat wist ik al.
Toen ik om vijf uur weer boven kwam waren ze nog bezig. Tegen de eerste monteur zei ik dat de storing was begonnen toen we het licht in de machinekamer uit deden; hij zei dat dat wel waar was, maar dat dat er niets mee te maken kon hebben. Maar je weet maar nooit.
De tweede monteur stond opmdat moment met een paar relais in de ene hand en zijn mobiel in de andere. Hij was in overleg met het hoofdkwartier en keek tamelijk wanhopig. Hij haalde nog eens een relais van zijn plaats en zette er een andere in. En daar voor mijn ogen voltrok zich het wonder. De liftmotor schakelde in en de lift begon te bewegen. De storing was verholpen. Wat was nu de oorzaak? De monter hield het op een vuil contact. Maar het gebeurde net nadat ik weer binnen was gekomen dus...