vrijdag 20 januari 2017

Bommelding

Voor we vertrokken had Betty al een berichtje gekregen dat in of bij de Joodse universiteit een bom was gesignaleerd en dat het wel eens zo kunnen zijn dat het bridgen moest worden verplaatst of afgelast. Betty besloot eerst ter plekke te gaan kijken voor ze zou besluiten wat verder moest gebeuren. De Joodse Academie ligt naast het gebouw waar het bridgen was gepland.
Maar toen we bij de inrit van het complex kwamen bleek dat het hele terrein was afgezet. Het was duidelijk: hier zou vanmiddag niet worden gebridged. We keerden weerom en Betty nam contact met de kennis die haar in eerste instantie had gewaarschuwd. Ze zouden elkaar ontmoeten op een andere locatie die zo'n 15 kilometer verderop lag.
De bommelding zelf veroorzaakte geen opwinding. Zoiets van:
O ja? Nou dan gaan we toch ergens anders bridgen.
Ondertussen bleek of werd tenminste gezegd dat er bommeldingen waren voor diverse Joodse lokalen verspreid over Florida. Betty nam dit voor kennisgeving aan en speelde zeer succesvol in een zaaltje naast een Presbyteriaanse kerk. We hebben al eerder gemerkt dat er veel kerkgenootschappen zijn in de VS.
De volgende dag moest Betty weer bridge spelen en weer reden we naar de zaal naast het gebouw van de Joodse Academie. Er was niets meer te merken van enige extra bewaking. Maar ditmaal was Betty niet zo succesvol met haar spel. De bommelding verdween in de drukte rond de inauguratie van Trump.


dinsdag 17 januari 2017

Eten

Onze vliegreis werd periodiek onderbroken door versnaperingen en zelfs een complete maaltijd. Voor de maaltijd hadden we de keus tussen vegetarische lasagne of kip. Het is niet helemaal duidelijk hoe ik die maaltijd zou moeten aanduiden: is het de lunch of het diner. Uiteindelijk: tijdens deze reis overbruggen we in tien uur zes uur tijdverschil. Ons vertrek was om tien voor twee en onze aankomst om half zeven. Maar goed, op de desbetreffende vraag van Freerk, vond ik dat ik nog wel trek had in wat spareribs...
Bij een vorige gelegenheid waren we voor een soortgelijke actie terecht gekomen bij de 'Hooters', een gelegenheid waar schaars geklede dames met flinke boezem bedienen. Alleen bleek toen na het eten dat we aan de verkeerde kant van Orlando terecht waren gekomen en een heel eind om moesten rijden om in Palm Beach Gardens te komen. Dat moest dit keer beter. Dus nu maar eens vertrouwen op de tomtom. Maar in de omgeving van Sanford Airport is het aantal eetgelegenheden tamelijk beperkt, terwijl de richting waarin we moesten lastig te bepalen viel door de infrastructuur van het viegveld.
Eerst maar van het vliegveld af.
Voor ons reed een auto met een sticker die vermoedelijk nog over gebleven was uit de verkiezingstijd:
'Vote for a criminal and get a second one for free.' met een verwijzing naar de Clintons.
'Ja,' zei Freerk, 'Dit is duidelijk Trump country.'

Met steun van TomTom gingen we op pad naar iets waarvan we de naam even snel vergaten als we hem hadden gekozen. Maar onderweg passeerden we iets van Wings. Een gelegenheid die er door het aantal ervoor geparkeerde auto's redelijk vertrouwenwekkend uitzag. Hier werden we ontvangen door meisjes in gympakjes en met aantrekkelijke borstpartijen. Het bleek dat ze hier ook spareribs leverden en de kipfilet naakt (dat wil zeggen ongepaneerd). Het was een geschilte gelegenheid en het eten was goed.
We waren tegen tienen hier, maar Freerk had wel het gevoel dat zes uur rijden - drie heen en drie terug - toch wel wat ongemak in zijn voet had veroorzaakt.

Veilig?

In het niemandsland tussen controles op paspoort en contrabande aan de ene kant en het instapstation (de gate) zijn nog een aantal winkels met luxe artikelen, zoals drank, tassen en hoofdkussentjes, en een Ako boekwinkel. We kijken hier rond, drinken nog een kop koffie en gaan dan naar gate G5. Daar vindt de laatste controle plaats: past onze instapkaart wel bij het vliegtuig waar we in willen stappen? Dat blijkt het geval en dus komen we via de slurf die wachtruimte en vliegtuig verbindt in het vliegtuig. De ruimte met rijen van zeven stoelen blijkt niet geheel vol. Al voordat we vertrekken vinden de nodige stoelwisselingen plaats voor meer comfort.

Als we naar de landingsbaan (die in dit geval dus een startbaan is) taxiën worden de veiligheidsmaatregelen in het vliegtuig doorgenomen. Het cabinepersoneel beweegt routinematig met de door de intercom gesproken instructies mee. Ik heb niet de indruk dat de passagiers erg onder de indruk zijn. Als ik om me heen kijk is men druk bezig met andere dingen. De meesten zijn blijkbaar ervaren reizigers. Ach, in 99 van de honderd gevallen biedt de routine controle voldoende zekerheid. Maar ergens in mijn achterhoofd is er altijd nog die ene keer dat het misliep. Toen de purifier vastliep. Toen had de routine controle alleen maar geconstateerd dat het oliepeil voldoende was, maar was niet gebleken dat de verbinding tussen purifier en peilglas verstopt was. Het leek alsofhet oliepeil nooit veranderde.

Ik verdiep me verder niet in de vele mogelijkheden en pak het boek waar ik mee bezig was over de moorden die zuster Fidelma oplost in Araglin. Zuster Fidelma vormt eigenlijk een ode aan het rechtssysteem van de Keltische gemeenschap in Ierland in de 7e eeuw en een scherpe kritiek op de nieuwe tijd die wordt ingevuld door de Rooms-katholieke opvattingen. Een groot deel van de reis moet ik hebben geslapen, want de tien uur gingen verrassend snel voorbij.

Orlando/Sanford is een betrekkelijk klein vliegveld. Maar, wellicht door de verbinding die wij gebruiken, toch een internationaal vliegveld. De reizigers met bestemming Miami mogen het eerst uitstappen: zij moeten hun bagage inklaren en dan met hun bagage in de hand opnieuw inchecken. Zij staan dan ook voor ons in de rij voor de paspoort controle. We zien weer hoe de reizigers worden verdeeld over negen loketten, eerst hun hand en vervolgens hun duim op de scanner leggen en dan verder mogen. De rij vordert traag maar uiteindelijk zijn wij  aan de beurt. Ook Anneke wordt vergeleken met haar foto, haar vingerafdrukken, zowel links als rechts, worden gecheckt tegen wie weet welke databases. Maar als de ambtenaar mijn personalia bekijkt en nog eens mijn foto vergelijkt met de werkelijkheid mag ik zonder vingerafdrukcontrole verder. Leeftijdsdiscriminatie? Zou best eens kunnen, ik had al eerder gehoord dat sommige veiligheidsmaatregelen niet meer worden toegepast op boven tachtig-jarigen. Criminelen worden geen tachtig.

We gaan verder naar de bagage-afhaal-ruimte. Zoals gezegd: dit is geen groot vliegveld: er zijn maar twee transportbanden en die staan allebei stil. De bagage van onze vlucht is al van de band afgehaald en ligt er ongesorteerd naast. Het kost weinig moeite onze koffers te vinden, en nu weer verder. De douaneambtenaren zitten met hun voeten omhoog en elkaar te kletsen. Maar besteden verder geen aandacht aan de reizigers. Dat hebben we nog niet eerder meegemaakt. Dus we lopen een beetje aarzelend langs hun post heen: ze kunnen nog van gedachte veranderen, immers. Maar nee, we kunnen ongehinderd doorlopen naar de laatste controle. Voor we door de deur naar buiten kunnen staat er nog een man die als hij ons ziet aankomen een stapeltje formulieren in de prullenmand gooit en ons douaneformulier in ontvangst neemt. We hebben geen groente of fruit bij ons, hebben ons ook niet bemoeid met gevogelte en ander gedierte: we kunnen naar buiten.

Daar kijken we in het vallende duister (de zon is hier bijna of helemaal onder) om ons heen. Even onwennig in de lauwe avondlucht. Als Anneke naar het toilet gaat en ik de bagage bewaak zie ik ook Freerk en Betty aan komen. We zijn in Florida.
  

maandag 16 januari 2017

Veilig

Het aantal veiligheids maatregelen op Schiphol is duidelik toegenomen sinds de laatste keer dat we hier waren. Van ons hotel naar de aankomsthal is missechien honderdvijftig meter, maar die toegang is afgesloten. In de aankomsthal is nu eenrichting verkeer voor de voetgangers. We moete dan ook een eind om de hal heen om naar binnen te kunnen. Er is een ingang en een uitgang en bij beide staan mensen die duidelijk een officiele functie hebben en alle passanten zorgvuldig bekijken. In de hal zowel beneden bij de aankomsten als boven bij de vertrekken lopen gewapende mannen waakzaam rond. Als we een kop koffie genomen hebben en er even bij gaan zitten zie ik op een tiental meters afstand een man met schietwapen het paspoort controleren van hen die er langs willen. Je begint hier haast als vanzelf te filosoferen over beveiliging. Er komt een man met een bagagetrolley die vlak voor de bewaker een tas met doosjes verliest. De doosjes maken nogal wat lawaai - reden waarom mijn aandacht trokken - en de man begint met verontschuligende gebaren in de richting van de bewaker zijn spullen weer bij elkaar te zoeken. Niets aan de hand.
Maar stle je nu eens voor dat het omvallen van de tas een berekende afleidingsmanoeuvre was die anderen de gelegnehid wilde bieden om... Ik kijk haast automatisch om me heen. Ik zie niets verdachts tussen al die mensen die hier in de richting van de bewaker proberen te komen. Niets verdachts, maar waaraan herken je 'iets verdachts'? Het is hier zoals gewoonlijk een komen gaan van mensen uit alle windstreken. Mensen die zich met meer of minder routine voortbewegen. Maar verdacht?
Bij de incheck balie is het ongebruikelijk chaotisch. De machines voor de instapkaarten werken niet goed, maar de sfeer is gemoedelijk. We worden vlot geholpen en gaan met de instapkaart door de eerste controle - eerste? eigenlijk was het verkrijgen van de instapkaart al een controle - en lopen dan met een grote boog naar de persoonlijke controle. Alle handbagage wordt gescand, ons lichaam wordt gescand en dan kunnen we op zoek naar gate G. maar er is een extra paspoort controle ingevoerd. Met gezichtherkenninga apparatuur wordt de foto op ons paspoort vergeleken met de werkelijkheid. Daarvooor had ik mijn bril maar afgezet.
Maar alles gaat goed en we zitten nu in de ruimte die uitkijkt op de vliegtuigen. Een soort niemandsland, maar wel een waar we nog boodschappen kunnen doen. 

dinsdag 10 januari 2017

Oud en nieuw

Het is wonderbaarlijk hoe soms hedendaagse ervaringen je eigen herinneringen kruisen. Toon vertelde over de 15 gevangenkampen in de Kreis Emsland, een streek die grenst aan de oostgrens van Nederland langs Groningen en Drenthe. Het was niet onze eerste ontmoeting met die gevangenkampen: Gerard had er enkele jaren geleden al over gesproken. Door het verhaal van Gerard was de interesse van Toon gewekt. Hij was op de fiets door dat gebied getrokken en had alle 15 kampen bekeken. De geschiedenis van die kampen was, zei Toon, een vergeten en grotendeels verdrongen hoofdstuk uit de oorlog. De kampen gebouwd en gebruikt tussen 1933 en 1945 hadden eerst onderdak geboden aan tegenstanders van het Nazi-regime en naarmate de expansie van het Duitse rijk vorderde aan steeds meer krijgsgevangenen. In die tijd - toen het aantal krijgsgevangenen voortdurend toenam kwamen er zoveel dat Hitler een probleem kreeg om ze te voeden. Hoe voed je een paar miljoen Russen in gevangenschap? De kampen liggen maar een paar kilometer van de Nederlandse grens en sluiten ook aan op het veengebied van Drenthe en Friesland, waar armoe troef was. Op dat moment dacht ik aan het boek van Evert Zandstra: Volk zonder Uren, ik herinnerde me de troosteloze sfeer, het boek begint zo:
Drie etmalen achtereen bijna zonder onderbrekingen had de storm met lange zweepslagen de heide gegeseld. In deze nanacht eindelijk was hij vrij plotseling weggekropen, na een laatste aanval met woest gierende vlagen, die de spleten in de hutten opnieuw had opengeschaafd en de naaldscherpe jachtsneeuw naar binnen had doen wervelen...
De armoe had in deze streek fel socialistische en communistische sentimenten doen opbloeien. Als men ergens de oorsprong van de SDAP moet zoeken dan is het wel hier. Hier in Nieuw-Amsterdam hadden Hinderikus Vos en Hendrika Christina Eggink gewoond en hier hadden ze acht van hun tien kinderen gekregen.
De aanwezigheid van de kampen in het Emsland was bekend in Nederland, Zo nu en dan ontsnapten er gevangenen in de richting van Nederland. Maar het officiële beleid (gericht op neutraliteit) was dat dergelijke vluchtelingen werden terug gestuurd naar Duitsland, waar ze doodgeschoten zouden worden. Tegelijkertijd waren er onder de bevolking natuurlijk ook velen die hulp boden aan deze vluchtelingen. Het is een beeld van alle tijden. Het is een beeld dat in het Europa van nu ook herkenbaar is.
Ik dacht weer aan de familie Vos die in 1896 van Nieuw Amsterdam naar Tijnje was verhuisd. Een onderwijzersgezin met tien intelligente kinderen. En wonder boven wonder Hendrika Christina Eggink werd in Tijnje bezoldigd onderwijzeres. Tegen de algemene regel dat getrouwde vrouwen ontslag moesten nemen. Maar de harde socialisten in die omgeving dachten daar blijkbaar anders over. Twee dochters kregen in die socialistische beginjaren van de twintigste eeuw bekendheid als dichteres. Margot en Maria W. In Tijnje werd Hendrik (Hein) Vos geboren. Hein werd econoom en werkte met Jan Tinbergen aan het plan voor de arbeid. Hij zou na de oorlog als minister van arbeid deel uitmaken van het kabinet Schermerhorn. Hij werd daarmee wel de bekendste van het gezin Vos.
In de vooroorlogse periode was een groot deel van de bevolking in de veengebieden aangesloten geweest bij de NSB. Het lijkt erop, zei Toon, dat deze mensen de oorlog uit schaamte hadden verdrongen. Het duurde tot vijftig jaar na de oorlog voor men in deze streek bereid of in staat was de bevrijding van 1945 te herdenken.
Mijn gedachten gingen terug naar Tijnje dat maar op een steenworp afstand ligt van Terwispel, waar de oudste broer van Hein, Christiaan Jan Vos, hoofdonderwijzer werd. Deze Chris trouwde in 1914 met de zuster van de man die mijn vader zou worden. En daardoor was Chris Vos mijn oom.
Hein Vos kon niet lang minister blijven: de KVP wilde hem niet, vermoedelijk omdat Hein er geen geheim van maakte dat hij homosexueel was en samenleefde met de schrijver Aar van de Werfhorst. Hein en Aar vroegen of Maria W. voor hun huishouding  wilde zorgen en dat heeft ze daarna veertig jaar gedaan. Later trok ook de moeder van Hein bij dit huishouden in...
Een voor die tijd opmerkelijk staaltje van openheid.
In 2017 , zegt Toon, is er in een van de kampen in het Emsland een informatiecentrum gevestigd, waar de hele geschiedenis van het gebied is terug te vinden.
         

De wraak van de techniek (2)

Techniek en technologie ontwikkelen zich in feite onafhankelijk van de mens. Dat klinkt misschien vreemd omdat het uiteindelijk de mens is die de techniek ontwikkelt. En toch er zijn verschillende manieren om meer gevoel te krijgen voor deze stelling.
Aan de ene kant kan men zeggen het is niet de mens die de techniek ontwikkelt, maar een mens die een (kleine) toevoeging doet aan de bestaande technische kennis, maar alleen als hij die bijdrage realiseert. Door zijn bijdrage vergroot hij de menselijke kennis van techniek en technologie. Die kennis is in feite een collectief goed.  Want als hij zijn bijdrage eenmaal gerealiseerd heeft kan hij dat niet meer ongedaan maken.
Als de vernieuwer zijn bijdrage niet realiseert of deelt verandert er in de technische kennis van de mensheid niets.  Een typisch voorbeeld is Leonardo da Vinci, die wordt gezien als een van de grootste genieën uit onze geschiedenis. Maar omdat hij in feite van de machines die hij heeft ontworpen niets heeft gerealiseerd is zijn bijdrage aan de wetenschap en de techniek verwaarloosbaar.

Er is een andere manier om te kijken naar de onafhankelijkheid van de technische ontwikkeling. Die presenteert zich als we even terugdenken aan onze jeugd. In het begin van mijn jeugd bijv. werkte ik nog met een lei en een griffel om dingen op te schrijven. Om de lei schoon te maken had ik een nat sponsje in een blikken doosje. Een ideale omgeving voor het laten ontkiemen van een bruine boon.
Ik verwonderde me daar niet over, want dat was de wereld met de techniek van die tijd die ik als vanzelfsprekend accepteerde. Een andere techniek om te schrijven was met behulp van een (kroontjes)pen. Op het meeste papier dat kort na de oorlog beschikbaar was was het schrijven met de kroontjespen een riskante bezigheid, want vaak bleef de pen in het papier steken en veroorzaakte dan vlekken. Het zou dwaasheid zijn geweest om te proberen alle technische hulpmiddelen van die tijd niet te willen. Dus groeide ik op met de fiets en met de auto; er waren films in die tijd en treinen, er waren zelfs vliegtuigen. Het bestaan van al die zaken werd me bekend en verklaard voor zover mogelijk door mijn ouders en andere opvoeders.
25 jaar later groeiden mijn kinderen op in een andere wereld. Een wereld waarin televisie en telefoon vanzelfsprekend waren geworden, waarin ik zelf een auto had en een type machine. Ik had mijn eerste vliegreizen achter de rug. Ik kan me eigenlijk niet herinneren dat mijn kinderen zich verbaasden over de techniek waarmee ze opgroeiden. Nee, tegen de tijd dat zij volwassen waren wisten zij er meer van dan ik. Ze experimenteerden met de eerste personal computer.
En nog weer vijfentwintig jaar later gaf ik mijn kleinkinderen een computer op hun 18e verjaardag. Zij groeiden op met het vanzelfsprekende gevoel dat er een internet was, voor hen was er nauwelijks een reden om te veronderstellen dat het ooit anders was geweest, het was een wereld waarin iedereen e-mail had en googelen een werkwoord was geworden.
Hoewel aan iedere nieuwe technische ontdekking tenminste een mens heeft gewerkt, heeft de mens geen invloed noch op de richting, noch ook op de snelheid van de technische ontwikkeling.
Iedere nieuwe generatie komt op de wereld en maakt zich de techniek eigen van dat moment. Het is onmogelijk om de collectieve kennis van de mensheid teniet te doen en opnieuw te beginnen.

donderdag 29 december 2016

De wraak van de techniek


Toen we met onze buurman kennis maakten was een van de eerste dingen die hij opmerkte het feit dat hij niet technisch was. Het was in een periode dat kennis van of minstens bekendheid met het gebruik van nieuwere technische hulpmiddelen een noodzakelijke voorwaarde begon te worden om in de maatschappij te kunnen functioneren.
Tot voor kort kon techniek worden gezien als een praktisch hulpmiddel om het dagelijks leven te veraangenamen. Iets waarvan men gebruik kon maken of niet. De trein bijvoorbeeld, of nog meer spectaculair het vliegtuig: praktische hulpmiddelen om je te verplaatsen, maar je kon nog steeds er voor kiezen om je niet te verplaatsen.
Weliswaar was de onderlinge afhankelijkheid van de mens en zijn hulpmiddelen groter dan velen veronderstellen, maar toch.
Inmiddels is de techniek een haast onvermijdelijk onderdeel geworden van het dagelijks leven. Zonder bankrekening kan men al haast niet meer en betalen zonder pinpas is steeds minder een optie. Het aantal mensen zonder computer is in Nederland niet zo groot meer. Ondertussen leidt de onkunde van de buurman ertoe dat hij regelmatig een beroep doet op iemand die iets meer is mee gegroeid met de eigenaardigheden van de techniek.
Mijn buurman is niet de enige die zich verschuilt achter zijn onbekendheid met de techniek. In de loop van de jaren heb ik geleerd dat in veel beroepen het meeleven met de ontwikkelingen in de techniek lukt tot een bepaalde grens. Dat geldt niet alleen voor de mensen die denken dat techniek slechts een hulpmiddel is en dat ook moet blijven, het geldt ook voor technici. Zo trof ik nogal wat weerstand tegen tekenen met behulp van CAD (computer aided design) bij technisch tekenaars, tegen het gebruik van de PC (personal computer) bij mensen die deskundig waren op de mini-computer, etc.
Weerstand tegen verandering is algemeen. Maar bij de invoering van technische hulpmiddelen lijkt er niet alleen een weerstand tegen verandering maar ook een zekere vrees voor de techniek aanwezig. Het is een instelling tegenover die wel wat lijkt op die tegenover wiskunde. Ook daar waar de wiskunde een onmisbaar hulpmiddel is heb ik vaak gezien dat men zich al bij voorbaat verontschuldigt voor een tekort aan kennis of affiniteit. Het helpt niet veel of er boeken worden geschreven over hoe men zich de wiskunde op een (relatief, want er is geen koninklijke weg in de wiskunde) gemakkelijke manier eigen kan maken.
Als men het als probleem wil zien, dan is het een probleem dat niet nieuw is en dat zijn oorsprong lijkt te vinden in de houding van de klassieken. Plato vond al dat het in deze wereld gaat om de ideeën en dat de praktijk, de techniek dus (overigens inclusief de kunst) iets was voor de ambachtslieden. En zo kent iedereen de naam van Aristoteles en Euclides, maar zal men de naam van de architect van het Parthenon op moeten zoeken.
Laten we hier even bij stilstaan: Het Parthenon werd gebouwd zo’n honderd jaar voor de geboorte van Aristoteles en Euclides. Om het Parthenon te kunnen bouwen hadden de architecten tenminste de kennis van Euclides en Aristoteles samen nodig. Voor Aristoteles was het Parthenon een gebouw dat er altijd had gestaan, zoals voor de gemiddelde Amsterdammer het paleis op de Dam er altijd is geweest en van iets dat er altijd is geweest vraagt men zich zelden af hoe het mogelijk was dat het gebouwd kon worden. Hoe kon in die tijd uitgerekend worden dat er 13659 palen nodig waren om het te stutten, welke algemene kennis was nodig voor alle symboliek die in het gebouw is verwerkt? Vraagt iemand het zich af als hij over de dam loopt in Amsterdam? En zo zal Jacob van Campen altijd minder belangrijk zijn voor onze geschiedenis dan Arminius wiens ideeën afweken van die van Gomarus.
De opvatting dat ideeën belangrijker zijn dan de techniek die de ideeën mogelijk maakte geldt nog steeds. Men vindt hem uitdrukkelijk bij Hans Achterhuis (De maat van de techniek). Men vindt hem terug in het verschil in beloning tussen mensen met een technische opleiding en mensen met een vergelijkbare, maar administratieve opleiding.
De neerbuigende houding tegenover de techniek heeft er toe geleid dat de filosofie nooit een antwoord heeft kunnen vinden op de vraag hoe om te gaan met de ontwikkeling in de techniek. Wel wordt regelmatig een angst uitgesproken dat de techniek ons leven gaat overheersen, maar niemand doet er iets tegen.
En de techniek gaat voort; computers staan nu in ieder huis, beeldschermen nemen een groot deel van onze tijd in beslag. Ons gedrag wordt tot in de slaapkamer geregistreerd en vastgelegd. Organisaties – die weinig of geen last hebben van de angst voor de techniek – verzamelen informatie op een nog nooit vertoond niveau over iedereen. Zo blijkt het inmiddels mogelijk om via DNA gegevens nauwkeurig vast te tellen hoe mijn stamboom in elkaar zit en waar mijn wortels liggen. Niet iedereen is even gelukkig met deze ontwikkeling, maar slaat het gade met toenemende zorg en onrust. Hoe zit het met de mens? Hoe gaat het met creativiteit? Een machine kan toch niet denken?
De technische hulpmiddelen van weleer nemen echter stap voor stap al deze uniek geachte functies van de mens over. Kunstmatige intelligentie, robots, drones… ze gaan steeds meer een eigen leven leiden. Ze gaan de wereld domineren. En men voelt zijn onmacht en de onmacht van de idee toenemen.
Is dit de wraak van de techniek voor de eeuwenlange minachting en onderwaardering door de idee?

dinsdag 13 december 2016

Schaken

Op het glazen bijzettafeltje staat mijn zakschaakspel. Ik speel met wit en heb de eerste zet gedaan. D4. Mijn tegenstander heeft nu een week tijd om een antwoord te bedenken. Hij heeft dus de tijd. Dat bord met die ene zet roept nostalgische herinneringen op. Dat houten schaakbordje (van 12,5x12,5 cm) met de kunststof insteekstukjes is inmiddels meer dan zestig jaar in mijn bezit. Het was een geschenk van mijn jongste zus Ankie die vond dat ik voor het afscheid uit Amsterdam een aandenken moest hebben. Sindsdien heeft dat schaakspel me vergezeld over de hele wereld. Ontelbare partijen zijn erop gespeeld en nagespeeld.
Indertijd, in 1955, hielp het me in de eerste correspondentie partij tegen Wouter. Want toen ik goed en wel was ingescheept op de Gadila kreeg ik een brief van hem met de vraag wanneer ik de eerste zet zou gaan doen. De Gadila bleek een oude werkboot die in de oorlog nog had gediend als vliegtuigcarrier. In mijn tijd was het weer een gewone tanker die in de Oost heen en weer voer...
Met Wouter had ik gedurende de vier jaar daarvoor vele malen de degens gekruist. Maar ook hadden we samen gespeeld eerst voor de Derde Vijf (onze HBS) en daarna voor de schaakclub Watergraafsmeer. Voor de Derde Vijf maakten we deel uit van het team dat op het bekende Famos-tournooi de eerste prijs had gewonnen. We scheelden niet veel in sterkte, denk ik.Wouter was beter in combinaties, ik reageerde vaak wat sneller.
De briefwisseling die we voerden ging erg traag. Omdat ik mijn zetten pas kon doen als we in een haven aanlegden en het onduidelijk was welke rout zijn brieven moesten volgen voor ze mij bereikten konden zet en tegenzet gemakkelijk een maand uit elkaar liggen. Ik weet ook niet meer of die eerste partij afgelopen was toen ik na twee en een half jaar met verlof kwam. Maar eigenlijk deed dat er ook niet zoveel toe. Na mijn vaartijd speelden we geen serieuze partijen meer, maar werden het snelschaakpartijen. Vijf minuten per persoon per partij.
Nu staat dat schaakbordje nog steeds op tafel; de laklaag is gedeeltelijk versleten, de lijnen tussen de velden soms nog maar nauwelijks zichtbaar. De witte d-pion staat een beetje verloren midden op het bord in afwachting van de tegenzet. Wouter is er niet meer.
Mijn tegenstander heet nu Richard. Het is mijn kleinzoon.
Als hij een zet doet verandert de stelling op het digitale schaakbord van mijn tablet via het internet gelijktijdig. Real time noemt men dat.
Er is het een en ander veranderd in die jaren.

zondag 13 november 2016

Bisschop

Tegenwoordig is Terwaan of Thérouanne een kleine plaats in Noord-Frankrijk. Het ligt aan de weg die van Boulogne via Arras naar Keulen voert. Maar ooit was Terwaan een belangrijke militaire post aan de grens van het Romeinse rijk. De grens tussen dat rijk en het gebied van de Franken werd gevormd door juist die weg van Boulogne via Terwaan en Arras naar Keulen. Deze weg markeert ook de grens tussen het Romaanse taalgebied en dat van de Germaanse Franken. De bekende taalgrens. Terwaan moest zorgen dat de weg van Boulogne naar Groot-Brittannië werd verdedigd.

Ooit... Zoals bekend liet koning Clovis zich in 496 dopen tot christen als waardering voor de hulp die God hem had gegeven bij zijn strijd tegen de Alemannen.
De doop zelf was het werk van aarts bisschop Rémi van Reims. Het kan nauwelijks anders dan dat Rémi aan die doop een groot zelfvertrouwen heeft over gehouden. Het Christendom zat weer in de lift en het werd tijd de missie op te pakken.

En zo zocht Rémi naar een geschikte missionaris. Hij vond die in de figuur van een zeer vrome kluizenaar. Rémi zocht de kluizenaar op en zei:

Tot dusver ben je de wereld ontvlucht, maar nu, man van God, wordt het tijd dat je tegen de wereld gaat vechten. Je zult te maken krijgen met mensen met een ongevoelig hart en met een stenen hoofd. Bedenk dat de speer van Gods woord scherper is dan de scherpst geslepen degen. Strijd moedig tegen die wereld, zet de wereld op zijn kop, wees de verklaarde vijand van de wereld. Die strijdkreet zal ook meteen je naam worden. 'Esto et vocare Anti-mundus'. 
En inderdaad sindsdien heeft men de kluizenaar alleen nog maar met die naam Antimond (tegen de wereld) aangeduid, zodanig dat de naam die hij daarvoor had verloren is gegaan.

Antimond kwam dus in Terwaan, en werd woedend ontvangen door de inwoners - leden van de stam van de Morini. Hij kreeg niets anders te horen dan grove scheldtirades en beledigingen. Maar de prelaat was geduldig en verdroeg alle scheldpartijen op zijn eigen rustige en vrome manier. Hij slaagde er na verloop van tijd in de gemoederen te kalmeren. De Morini werden uiteindelijk bekeerd en stemden er zelfs mee in dat de tempel van Mars in het midden van de stad werd afgebroken en vervangen door een aan de heilige Martinus (die toch al een goede naam had in Gallië) gewijd godsgebouw.

Op de plaquette hierboven in de kathedraal van Saint-Omer zien we dus inderdaad Antimond genoemd als eerste bisschop van Terwaan.

Het bisdom Terwaan is door het hardhandig optreden van Karel V, uiteindelijk ten onder gegaan, wat overbleef valt nu onder Boulogne.


maandag 24 oktober 2016

Digitale dementie

Onder deze titel schreef Manfred Spitzer, geheugenonderzoeker en psychiater, zijn boek over de kwalijke gevolgen van het overvloedig gebruik van media. Spitzer betoogt dat het niet gebruiken van je hersens leidt tot achteruitgang. Hersencellen die niet gebruikt worden sterven af. Dit is goed te merken aan de hippocampus. De hippocampus bevat onder meer de cellen die onze ruimtelijke oriëntatie mogelijk maken. Je zou kunnen zeggen dat in de hippocampus onze mentale atlas zit opgeborgen. Spitzer geeft daarvan een sprekend voorbeeld: Een groep van Londense taxichauffeurs werd vergeleken met een controlegroep van Londense buschauffeurs. Het verschil zit daarin dat de taxichauffeurs kris kras de weg moeten kennen in Londen met zo'n 25000 straten, terwijl de buschauffeurs even ervaren met rijden in het Londense verkeer, langs vaste trajecten rijden. Na de test bleek dat bij de taxichauffeurs de hippocampus duidelijk sterker was gegroeid dan bij de buschauffeurs. Dit verschil was niet tijdelijk maar bleef ook na de test.
Niemand zal verwonderd zijn dat een atleet moet trainen om zijn spieren in conditie te houden. Topsport betekent dan ook inderdaad dagelijks uren spierarbeid. Dat de noodzaak voor training van de hersencellen even noodzakelijk is valt wellicht minder op. Tenzij men ziet dat topschakers - even aannemende dat schaken te maken heeft met hersenarbeid - eveneens vijf tot zes uur per dag met schaakstellingen bezig zijn. Wil men tot de top horen dan hoort ook die training erbij. Niet alleen Digitale Dementie, maar ook zijn Amerikaanse tegenhanger The Dumbest Generation laat aan de hand van vele onderzoeken zien dat de leerprestaties van schoolkinderen afnemen door het veelvuldig gebruik van computer- en andere mediaschermen. Dit in tegenstelling tot wat de voorstanders van computers op school beweren.
Spitzer vermeldt dat hij met het verschijnsel van mentale achteruitgang werd geconfronteerd toen zijn GPS-toestel uit de auto was gestolen. Plotseling bleek dat zijn oriëntatie in de ruimte achteruit gegaan was. Het viel niet mee om zelf de weg te vinden. Ook van de route naar plekken waar hij meermalen was geweest had Spitzer, zegt hij, maar een flauw idee.
Dat gevoel niet te weten waar hij was overviel ook mijn zoon Freerk die eigenlijk automatisch de GPS aanzet als hij in de auto stapt. Hij bedacht dat dit toch een ongewenste situatie was en besloot van de westkust van Florida waar hij was aan de hand van de kaart buiten de hoofdwegen om terug naar het oosten te rijden. Er zijn eigenlijk maar weinig wegen in Florida oost- west en al evenmin noord- zuid. vermoedelijk omdat Florida is geconstrueerd en niet zoals een land in Europa gegroeid. Om een weg te vinden die niet over de hoofdwegen gaat is niet helemaal vanzelfsprekend.
Maar om dat te kunnen doen moest hij een kaart van Florida hebben. En die lag natuurlijk niet in de auto. De oplossing was simpel. Freek ging op weg en stopte bij de eerste de beste benzinepomp. Hij vroeg naar een kaart van Florida.
'Maar meneer, was het antwoord, 'hebt u geen GPS?'