zaterdag 7 december 2013

Oorzaken en pech

Bij de liftcontrole was gebleken dat een van de snelheidsbegrenzers ver versleten was. Hij moest worden vervangen. Deze week was het zover. Woensdag kreeg ik een telefoontje met de vraag of de monteur de volgende morgen kon komen.Ik had geen bezwaar en het had weinig zin de andere bewoners naar hun mening te vragen. Dus de volgende morgen stond de monteur op de stoep. Hij had een wagentje met materiaal bij zich dat precies in de lift paste. Ik wees hem de weg. Vervolgens vroeg ik hoe lang hij dacht nodig te hebben. Hij hoopte rond half een klaar te zijn. Dat was later dan ik verwacht had. Eigenlijk had ik dat beter de vorige dag kunnen vragen, dan had ik een briefje op kunnen hangen. En had men er rekening mee kunnen houden. Moest ik nu nog een aankondiging ophangen? Misschien toch maar doen al was dat als mosterd na de maaltijd. De mensen die met de lift wilden merkten vanzelf dat hij buiten bedrijf was. Mijn briefje gaf hooguit twee informaties: dat ik wist dat de lift buiten bedrijf was en waarom. Maar ik voel me als lid van de technische commissie een beetje verantwoordelijk. Dus ik hing toch een briefje op en  volgde de monteur bij zijn werkzaamheden.
Om half een was hij inderdaad klaar. Bij wijze van controle ging hij met de lift naar beneden en vervolgens weer etage voor etage naar boven om de briefjes lift buiten gebruik weer weg te halen. Alles werkte. Gereedschap en overig materiaal werd in het wagentje geladen en de monteur duwde op de 10e etage het wagentje naar de lift en drukte op de knop om delift op te roepen. Ik stond erbij om mee te gaan naar beneden.
'Het duurt wel lang,' zei de monteur na verloop van tijd. Ik moest dat beamen. Na nog even gewacht te hebben, zocht hij een schroevendraaier klom weer naar boven om de storing die er blijkbaar was te verhelpen. Het wagentje bleef op het portaaltje voor de lift staan en ik ging lunchen. Na de lunch was de storing nog niet verholpen. Een tweede monteur was onderweg. Ik werd een paar keer gebeld dat de lift het niet deed. Maar dat wist ik al.
Toen ik om vijf uur weer boven kwam waren ze nog bezig. Tegen de eerste monteur zei ik dat de storing was begonnen toen we het licht in de machinekamer uit deden; hij zei dat dat wel waar was, maar dat dat er niets mee te maken kon hebben. Maar je weet maar nooit.
De tweede monteur stond opmdat moment met een paar relais in de ene hand en zijn mobiel in de andere. Hij was in overleg met het hoofdkwartier en keek tamelijk wanhopig. Hij haalde nog eens een relais van zijn plaats en zette er een andere in. En daar voor mijn ogen voltrok zich het wonder. De liftmotor schakelde in en de lift begon te bewegen. De storing was verholpen. Wat was nu de oorzaak? De monter hield het op een vuil contact. Maar het gebeurde net nadat ik weer binnen was gekomen dus...


vrijdag 29 november 2013

Voorbereiding

Een van de heel fraaie uitdrukkingen die ik in mijn carrière als ambtenaar ben tegen gekomen is er een die ik aan wethouder Broeders toeschrijf. Toen ik hem leerde kennen in 1970 was hij de belangrijkste man in het college. Broeders beheerde de gemeentelijke financiën en ging over onderwijs. Hij liep wat mank en had een opvallende uitspraak van sommige woorden. Zo sprak hij altijd van het collège in plaats van college. Broeders had grote ervaring niet alleen als raadslid en wethouder voor de KVP en later CDA maar ook als vakbondsbestuurder. In de voorstellen die hij moest verdedigen in de gemeenteraad kende hij de dossiers wel zo goed dat hij, zoals hij dat noemde, vaak kon spelen op zien komen. 
Spelen op zien komen. Eigenlijk betekent het dat je naar je vergaderingen en bijeenkomsten afgaat zonder je al te druk te maken over wat je daar te wachten staat. Ik betrap me er vaak op dat in een bijeenkomst blijkt dat ik me te weinig heb voorbereid. Meestal heb ik me niet afgevraagd met welke hersenkronkels mensen mijn ideeën, teksten voorstellen zouden kunnen benaderen. Dat heeft gevolgen. De laatste jaren waarin ik deelnam aan de schaakcompetitie, bleek regelmatig dat ik tegen tegenstanders die zeker niet sterker waren dan ik, al met een slechtere stelling uit de opening kwam. Maar ja ik deed ook weinig of niets aan het bestuderen van de opening.
Gelukkig is ook de voorbereiding in vele gevallen een kwestie van routine. Zorgen dat je laptop werkt, dat je presentatie uitgeprobeerd is, etc. allemaal routine. Maar verder?
Nu de cursus creatief schrijven achter de rug is blijkt een aantal deelnemers zonder cursusleider verder te willen gaan. Er is een locatie vastgesteld, een datum en een tijdstip. Maar verder? In zo'n situatie heb ik de neiging om maar op zien komen te gaan spelen. Voor de hand ligt dat je elkaars verwachtingen probeert te peilen, wat beter te weten zien te komen waar iedereen mee bezig is.
Maar de groep bestaat uit mensen die kennelijk de discussie voor een deel willen structureren. We moeten elkaar feedback geven - overigens een zeer gezonde activiteit - en zo kreeg ik alvast een feedback formulier: op welke punten wil ik feedback. Daar moet ik even over nadenken.
Voorlopig eerst maar eens op zien komen spelen.    

zondag 24 november 2013

Creatief schrijven

De laatste opdracht:
Beschrijf een korte scene in niet meer dan 150 woorden en geef die aan je buurman. 
Ga met de tekst die je zo krijgt aan de slag en beschrijf de scene à la Queneau in twee stijlen.
(Queneau heeft een boekje geschreven Excercises de Style, waarin hij dezelfde scene beschrijft in 99 stijlen. Dat werd vertaald in het Nederlands door Rudy Kousbroek, maar is ook in het Engels verschenen).
Tekst van Sabine












Een kleine ode aan het tuincentrum met kerst

Dra maken we ons weer op
Voor het jaarlijks kerstgebeuren
Maar onbetwist aan de top
Het tuincentrum met zijn kleuren
In sprookjesachtig rood en groen

Het tuincentrum in dit seizoen
Met kerstman en (kunst) engelenhaar
Van spar- en dennengeuren zwaar.
't Is nu advent en gauw het echte feest
Toch bekoort het tuincentrum 't meest.


Of:
Minimalistisch

't Is net een sprookje. Maar hoe mooi het tuincentrum nu ook is ik laat me niet verleiden.
Ik heb genoeg kerstversiering.

Of:
Horror-achtig
Ik krijg nog een gevoel van onbehagen als ik aan het tuincentrum denk waar ik gisteren even rondkeek. Zo'n gevoel of je de haren ten berge rijzen. De grijns van die Kerstman..., maar laat ik niet teveel vooruit lopen. Ik ging dus naar het tuincentrum om eens te kijken of ik nog iets kon vinden als aanvulling op mijn kerstversiering. Nou ze hadden het weer prachtig versierd, de kerstbomen op de juiste plaats het engelenhaar en de slingers en kaarsjes het gaf allemaal de juiste sfeer mooier nog dan vorig jaar. Maar toch was er iets dat niet klopte. Ik vond het benauwd. De geur van dennen was kunstmatig versterkt en gaf, toen ik wat verder het centrum inliep, een drukkende atmosfeer. Er was zoveel uitgestald aan ballen, klokjes, kerstmannetjes en engeltjes dat het me teveel werd. Er ontstond door deze opstelling ook een labyrinthachtig geheel met veel onverwachte, donkere hoekjes, waar dan plotseling een lamp aanging. Het ging allemaal goed en ik stond al op het punt naar de uitgang te lopen, toen ik in zo'n verscholen hoekje tegen een buitenmodel Kerstman aanliep met een levensechte, gemene grijns op zijn gezicht. Het was al donker in deze hoek van de zaak, maar toen ik dit hoekje binnenliep ging plotseling een lamp aan die die Kerstman verlichtte. Ik schrok me lam en draaide me om maar in de verkeerde richting. Toen liep ik tegen die engel aan; die hing daar een beetje laag, maar haar oog loensde een beetje, ronduit griezelig. Maar door dat ik de verkeerde kant was uitgelopen, was ik mijn oriëntatie kwijt en heb ik wel een kwartier rond lopen dwalen voortdurend met dat stomme gebulder van die Kerstman in mijn oren. Ik kreeg het helemaal benauwd. Ik was blij dat ik iemand van het personeel zag die me de weg naar de kassa kon wijzen. Ik heb niets meer gekocht, want ik bedacht dat ik eigenlijk genoeg heb. Maar de grijns van die Kerstman blijft me nog steeds achtervolgen.



zondag 10 november 2013

Veroudering

Voor deze kleine klas is het niet zo moeilijk de reunie bij een van de klasgenoten aan huis te organiseren. Zelfs niet als de partners meekomen. Bovendien was een van de klasgenoten al overleden en een andere was door ziekte verhinderd. En zo bevonden we ons dit keer 10 man sterk in Bilthoven, waar de gastheer zich opvallend moeilijk voortbewoog. Het bleek dat de gewrichten in zijn benen te lijden hadden van artrose, maar de chirurg had aangegeven dat hij niet wilde opereren zolang de pijn niet permanent was. Het zijn de verschijnselen die met de onvermijdelijke veroudering gepaard gaan. De handicap was intussen voor hem wel van dien aard dat hij het oorsronkelijke plan om naarhet museum van Speeldoos tot Pierement wilde opgeven. Immers de binnenstad van Utrecht was door opengebroken straten haast onbereikbaar. De excursie naar het speeldoos museum was vermoedelijk ingegeven door de gemakkelijke overweging dat de vroegere directeur en oprichter van het museum, een van de klasgenoten was. Het voorstel had desondanks wel wat verwondering gewekt. De klas was al eens in het museum geweest. Maar Jan Jaap had niet geprotesteerd en zijn relaties aangesproken om van dit bezoek iets bijzonders te maken. De afspraken hiervoor te laten vallen was heel erg lastig. Jan Jaap Haspels is een bijzondere figuur. Als zoon van een dominee in Groenlo had hij al van heel jong een grote belangstelling gehad voor speeldozen, klokken en muziek. Een carriere in de muziek was niet geheel dat wat zijn vader wilde aanmoedigen. Jan Jaap studeerde Engels, maar promoveerde in de muziekgeschiedenis. Hij verzamelde en bouwde muziekdozen, die hij tentoonstelde op zijn kamer in Utrecht. Hij maakte een bordje museum en liet kaartjes drukken met dr. Haspels, directeur. Bij een vorige reunie had hij ons al eens door het museum  en de binnenstad van Utrecht geleid. En door zijn aanstekelijke manier van vertellen had hij als een modern soort rattenvanger van Hamelen, in de kortste keren een heel gezelschap achter zich aan gekregen.
Het museum en Jan Jaap hadden een wereldwijde bekendheid gekregen.
Bij deze gelegenheid had Jan Jaap ervoor gezorgd dat er enkele speciale stukken uit de collectie werden klaargezet. Maar hij voelde zich wat onzeker over zijn vermogen het verhaal goed te vertellen en een van de medewerkers gevraagd ons rond te leiden. Die medewerker kwam echter nauwelijks aan het woord. De gaten in het geheugen van Jan Jaap waren niet voldoende om de magie uit zijn verhaal te halen. Het pronkstuk uit de collectie was het spinet dat Jan Jaap vroeger zelf had gebouwd. Over het maken, draaien afwerken van de onderdelen, had hij drie jaar gedaan. Elk onderdeel had hij zelf getekend. Maar nu stond hij erbij en voelde zich onzeker over hoe hij het spinet, waarin enkele melodieen waren geprogrammeerd moest bedienen. Na de demonstratie werd het spinet weer zorgvuldig weg gezet.

donderdag 7 november 2013

Creatief schrijven


Ik volg de cursus creatief schrijven en kreeg als opdracht een beeldverhaal bij een van de aangeboden afbeeldingen. Hier is de afbeelding die ik koos en het verhaal erbij.


Kapper Peter
Het is een van die kleine winkeltjes langs de gracht. Ingeklemd tussen de herenhuizen zijn er nog een paar overgebleven. De meeste zijn dichtgespijkerd en verkeren in bouwvallige staat. Een paar huizen verderop was vroeger in zo'n huisje een snoepwinkeltje, Daar kwam ik vaak als kind. Dat winkeltje is ook al lang over de kop. Maar in dit huisje zit mijn kapper. Kapper Peter. Hij zit hier al jaren en ik kom hier ook al jaren. Eens in de zes weken houdt Peter mijn haar in de vorm. Hoe vaak zou ik hier nu al niet geweest zijn? Acht keer, negen keer per jaar? Het is geen bijzonder kapsel, want op mijn leeftijd hoeft ik geen modieuze bewerkingen meer op mijn hoofd. Het is goed zoals het is. En op een dag als deze is de kleine kapperszaak voor mij een rustgevende omgeving. Het is mooi weer in de nog vroege zomer. Aan de overkant van de gracht strijkt het zonlicht langs de gevel en kan ik nog net het groen zien van de bomen die daar staan. De deur van de kapperszaak staat open. Van de straat klinken de geluiden die bij deze omgeving horen. Wat me iedere keer weer verbaast is dat de kade aan de overkant zo hoog is boven het water. Maar dat zullen ze wel uitgezocht hebben.
Gelukkig mag ik van Peter onder deze omstandigheden rustig mijn sigaartje roken terwijl ik zit te wachten tot ik aan de beurt ben. Eigenlijk weet ik niet zoveel van Peter. Ach maar waarom ook. Ik kom hier voor een half uurtje, een uurtje rust; niet voor gesprekken over zijn familie. Wel heb ik gehoord dat zijn vrouw er vandoor is met een andere man. Maar dat is tegenwoordig nauwelijks abnormaal. Huwelijken worden gesloten en ze vallen weer uit elkaar. En eigenlijk is het een wonder dat als ik straks thuis kom, mijn vrouw er nog is. Wat zou ik doen als bleek dat ze weg was?
Hé, ik schrik ervan, was ik even echt in slaap gevallen? Wat moet dat ongure type daar in de deuropening? Die vent met die pet en die zonnebril. Eigenlijk heb ik de pest aan dat soort figuren. Kijk hem daar nou staan met dat leren jasje. Zou het een drugsdealer zijn? Dat zou zo maar kunnen in deze buurt. Er lopen meer van die figuren rond in deze omgeving. Peter zal toch niet aan de drugs zijn? Je weet het maar nooit. Maar als dat zo is moet ik er nog eens over na denken of ik hier nog weer terug zal komen. Volgens mij komt die vent uit die auto die daar tegen de gracht geparkeerd staat. Het valt me mee het is maar een Volkswagen en niet zo'n protserige BMW.
Peter lijkt die vent te kennen. Dat lijkt helemaal verdacht.
Wat zegt die vent nu? Hij komt de auto van Peter terugbrengen? Hij heeft hem laten repareren bij de garage? Nou zie ik het pas. Hij heeft de autosleutel van Peter in zijn hand. Zie je wel, er is niets aan de hand. Dat heb ik aldoor al gedacht. Natuurlijk kon Peter niet zelf naar de garage. Ik heb me er aldoor al over verwonderd dat zijn auto er niet stond. Oh, dat was zijn zwager?

Nou, ik kan nog net mijn sigaartje oproken, gelukkig is dat niet uitgegaan.  

woensdag 30 oktober 2013

De Friese klok

Vermoedelijk weet niemand hoe de klok in het bezit is gekomen van Willem Frederik Harwig, de bakker aan de Meddosestraat in Winterswijk. Het lijkt wel zeker dat Opoe hem uit het huis heeft meegenomen toen bleek dat de bakkerij failliet zou gaan. Ook tante Jo wist niet veel beter dan dat die klok in haar ouderlijk huis had gehangen en zij was blij dat de klok uiteindelijk bij mijn ouders terecht was gekomen. Omdat de bakkerij in 1899 of 1900 failliet ging konden we alvast vast stellen dat hij nu in 2013 al wel 120 jaar oud moet zijn.
De klok ondertussen tikte rustig door, hij overleefde al tikkende niet alleen Willem Frederik, maar ook Opoe en onze ouders. Hij overleefde de verhuizing van de Meddosestraat, naar de Govert Flinck in Amsterdam, weer terug naar de Morgenzonweg, opnieuw naar Amsterdam nu naar de Linnaeusparkweg, naar Doesburg, vandaar naar Teteringen en uiteindelijk naar Breda. Hij overleefde twee wereldoorlogen en tikte rustig verder terwijl de techniek om hem heen veranderde. De klok sloeg de hele uren voluit en de halve uren 1 keer, en hij had de onhebbelijke gewoonte juist te slaan als de mensen om hem heen aan het telefoneren waren. De waardering voor de klok was verschillend, de waarde ook. Vooral Vader had er weinig belangstelling voor, totdat bleek dat een keer de waarde bepaald werd op een moment dat die hoog was. Sindsdien gebruikte hij twee handen om het klokgewicht 's avonds op te trekken. Want dat was wel nodig: met de beschikbare lengte van de ketting en de hoogte waarop de klok was opgehangen kon de klok bijna 24 uur tikken. Behalve het grote gewicht was er altijd een klein gewicht, dat nooit gebruikt werd en waarvan de functie me nooit duidelijk was geworden. Dat bleek te dienen voor de wekker, want de klok kon ook gebruikt worden als wekker, zij het dat het mechanisme weinig nauwkeurig was, het moest bediend worden door de kleine wijzer van de klok.      
Maar deze week hield hij er mee op.
We besloten een klokkenmaker erbij te halen. Die constateerde dat de klok moest zijn gebouwd tussen 1830 en 1850, omdat men in die tijd probeerde eikenhout met behulp van meekrap op mahonie te laten lijken. Maar hij constateerde ook dat de ketting minstens eenmaal vernieuwd was geworden en dat het gewicht wel erg zwaar was voor een klok van dit type. Zo'n gewicht paste beter bij een stoeltjesklok. Het was waarschijnlijk dat het gewicht verzwaard was om de slijtage van de onderdelen te compenseren. Nu was me al eerder opgevallen dat het gewicht hing aan een gewone omgebogen draadnagel. Vermoedelijk heeft de klok dan ook meer aanpassingen ondergaan dan wij kunnen bevroeden.
De man die ons de technische details van de klok verklaarde, moest vast stellen dat zijn digitale horloge niet werkte. Dat was een satelliet gestuurd horloge. Maar dat had hij al meer dan twintig jaar, een aardige tijd voor zo'n horloge.
Onze Friese klok zou - als hij het kon - daarvoor zijn schouders ophalen: wat is nou twintig jaar op het leven van een klok...  

zondag 6 oktober 2013

Rare ideeën

Mijn leraar Engels op de middelbare school gaf zijn leerlingen vanaf de tweede klas - toen ons onderwijs in het Engels begon - iedere week een citaat en een aantal woorden die in het dagelijks Engels van die tijd werden gebruikt. Een aantal van die citaten zoemt zo nu en dan nog rond in mijn hoofd, zoals:
  He was in logic a great critic
  Profoundly skilled in analytic
  He could distinguish and divide
  A hair 'twixt south and south west side.
Ik was vergeten wie het had geschreven, maar het schrift waarin het genoteerd werd heb ik nog. Het blijkt een stukje te zijn uit Hudibraes van William Butler en stamt uit de 2e helft van de 17e eeuw. Die datering is niet geheel zonder betekenis, want de 17e eeuw is de periode waarin het wetenschappelijk denken van analyse en enkelvoudige oorzaak en gevolg relaties van de grond kwam, dat de basis vormt van onze huidige kennis en welvaart. Sindsdien vinden we het steeds meer vanzelfsprekend dat we onze wereld kunnen zien als opgebouwd uit allemaal kant klare blokjes met een eigen zelfstandigheid.
Ik moest aan Hudibraes denken naar aanleiding van het artikel in BNDeStem over de vraag of familie een grotere rol zou kunnen spelen in de zorg. Het blijkt een revolutionaire gedachte in een wereld die gebaseerd is op het scheiden en onderscheiden (zoals Butler zegt: tussen de zuid- en de zuidwest kant van een haar).
Scheiden en onderscheiden wordt als principe ook gebruikt bij het inrichten van organisaties. Het is immers van belang de taken binnen een organisatie duidelijk te verdelen, zodat we precies weten wie wat moet doen en wie waarvoor dus verantwoordelijk is. En zo maken we ook onderscheid tussen ons en die ander. Heel nadrukkelijk maken we onderscheid tussen ons en de overheid. Wie daarover een beetje gaat zitten nadenken zou eigenlijk tot de conclusie kunnen komen dat de overheid onze overheid is. Het is een overheid die door ons is aangesteld om dingen te doen namens ons. Sommigen onder ons noemen dat zelfs democratie. Als onze overheid dingen doet die inconsequent zijn of stom, zouden we zelfs kunnen concluderen, dat de overheid ons onvermogen weerspiegelt om met elkaar tot overeenstemming te komen over de dingen die gedaan moeten worden. We hebben dan ook een beetje ambivalente houding tegenover die overheid. Aan de ene kant vinden we dat de overheid zich teveel met ons bemoeit (wij tegenover zij), aan de andere kant vinden we dat de overheid iets moet doen als er iets misgaat in onze omgeving (het is toch onze overheid?). We vinden het eigenlijk vanzelfsprekend dat redelijk veilig onze voordeur uit kunnen stappen, dat we een redelijk vlakke en goed onderhouden weg kunnen gebruiken (in feite wij gaan uit van een goed geordende openbare ruimte als vanzelfsprekend. Een openbare ruimte waarin we ons gratis van de ene plaats naar de andere kunnen bewegen. De openbare ruimte is natuurlijk niet gratis. Het in standhouden en het in redelijke mate veilig houden van de openbare ruimte kost geld en inspanning. Geld en inspanning dat we met zijn allen bijeen brengen via belastingen. Eigenlijk moeten we de tegenwaarde van de kosten van dat onderhoud en die veiligheid zien als ons verborgen inkomen. Het is onze overheid en onze openbare ruimte.
Zo is het natuurlijk ook met de vele zorginstellingen waar mensen de zorg kunnen krijgen die ze behoeven. In situaties die ik van nabij heb meegemaakt is het zo dat veel mantelzorgers (vaak de partners van hen die de zorg behoeven) slechts bereid zijn de zorg over te laten aan een ander als de eigen fysieke mogelijkheden te kort schieten. En in veel gevallen voelen ze zich schuldig dat ze het niet meer aankunnen. En ongetwijfeld zal het vaak zo zijn dat ze opgelucht zijn dat ze de verantwoordelijkheid voor de zorg kunnen delen en overlaten. Maar het lijkt ook niet natuurlijk dat vanaf het moment dat de zorginstelling inspringt de zorg hun zorg niet meer is. Zo eenvoudig is de scheiding tussen wij en zij niet.  
 

donderdag 26 september 2013

Reacties

Ik heb de wellicht onhebbelijke gewoonte volstrekt onbekende mensen aan te spreken bijv. in winkels. Dat leidt soms tot verrassende reacties.
In een modezaak stond een dame een rode omslagdoek te passen terwijl ze zichzelf in de spiegel bekeek. Ik kon het niet nalaten:
die doek staat u veel beter als u er vriendelijk bij kijkt.
De dame keek me schattend aan: meneer het is een ernstige zaak, want het is crisis. Ik moet op de kleintjes letten.
Het was een tamelijk grote omslagdoek, dat wel.
Bij Waanders in de Broeren in Zwolle kwam een dame naast me staan. Voor ons lag de nieuwe roman van Donna Tartt: Puttertje. De dame pakte het boek taxerend op en legde het toen weer neer. Ik zei:
Eigenlijk is het onverantwoord zulke dikke boeken te schrijven.
Och antwoordde ze:
Als ik zo' n boek koop snij ik het over de rug in twee delen. Dat heb ik ook gedaan met dat boek van Geert Mak: Europa. Toen kon ik de eerste 500 bladzijden gemakkelijk lezen. Daarna de rest. En zo heb ik het ook uitgeleend aan een vriendin. Die vond dat zeer praktisch. Daarna heb ik de twee helften tegen elkaar in de kast gezet.
Het leek mij ook een praktische oplossing, al moet ik nog een drempel overwinnen voor ik een boek moedwillig beschadig. Maar 't Puttertje is inderdaad wel erg dik.

woensdag 25 september 2013

Kleine ongemakken

Zo nu en dan zit het tegen. In het weekend zaten we in Esquelbecq in de caravan. Ik vulde de watertank om in de loop van de dag tot de ontdekking te komen dat het pompje niet meer werkte, zodat er geen water uit de kraan kwam. het was dus behelpen met flessen water. Zondagmorgen deed ik daarom water vanuit de fles in onze waterkoker om thee te maken, wachtte tot het water kookte en goot mijn theekop vol. Een eigenaardige geur steeg op. Meer nauwkeurig: mijn thee stonk. Omdat het de eerste keer was dat me dat overkwam viel mijn verdenking op de fles met water. Maar inspectie leidde tot niets. De fles kon niet de boosdoener zijn. Was die thee te drinken?
Ik rook nog eens, maar het resultaat was het zelfde: die thee stonk. Uiteindelijk keek ik in de waterkoker. De donkere vlek tegen de wand verklaarde veel: dat was vroeger een nachtvlinder geweest. Toen ik de koker omkeerde en omspoelde bleek dat er ook een spin in gezeten had. Ik had thee van of met vlinder en spin, die heb ik niet opgedronken.
Tot de kleine ongemakken behoorde ook de mededeling van buurman Piet. Die vertelde dat hij zijn nagels geknipt had. Dat moest wel eens gebeuren, zei hij. En met zijn kalknagels is dat geen sinecure. En omdat de nagels nogal ver weg zitten: hij had in zijn teen geknipt. Op mijn vraag: en nu?
Ja, bloeden hè. En het doet ook wel een beetje pijn.    
   

zaterdag 14 september 2013

Kunst en kunstwerken

Als we praten over kunst en cultuur denken we al gauw aan beeldende kunst in de vorm van schilderijen en beelden. We denken aan literatuur en grafiek en aan muziek en dans. Het is vooral op deze terreinen dat we veronderstellen dat de menselijke creativiteit zich openbaart, terreinen die met name lijken te dienen voor het opvrolijken, het versieren van ons dagelijks leven. Het is dan ook vooral op deze terreinen dat zich de discussie voordoet of bepaalde uitingen voldoen aan de op dat moment geldende criteria voor kunst. Dat is een heel speciale discussie, waarin de meningen zich groeperen rond smaakmakers: verdwijnt de smaakmaker, dan is het maar de vraag of zijn uiting van creativiteit nog lang erkend wordt.
Men denkt niet zo vaak aan kunst en creativiteit als het gaat over fotografie, hoewel de fotograaf een achtenswaardig, en gewaardeerd beroep heeft ziet men hem zelden als kunstenaar. Hetzelfde geldt voor het werk van de technicus, de weg- en waterbouwer. Hoewel: bij de aanleg van wegen etc. spreekt men wel van kunstwerken, zoal bruggen, viaducten en wat dies meer zij. Maar hoeveel creativiteit wordt er niet gelegd in het maken van oplossingen voor technische problemen?
Neem nu, het tramverkeer in Amsterdam, dat beoogt mensen de mogelijkheid te geven heen en terug te reizen langs dezelfde route. Daarvoor zijn twee tramsporen nodig. In straten al de Utrechtsestraat en de Leidsestraat ontbreekt daartoe de ruimte. De oplossing van enkelspoor met een dubbelspoor op de bruggen over de grachten leidt  tot een elegant lijnenspel gezien vanuit het perspectief van de bestuurder - of dat van de achter hem zittende reiziger - dat niet onderdoet voor dat van een 'modern kunstwerk'. Ik denk dat de creativiteit die gebruikt wordt om oplossingen te vinden voor problemen die gezien worden als louter technisch ten onrechte niet als kunst en cultuur worden gezien.