Bent u een natuurfotograaf?
Vroeg de vrouw die me aan het eind van de Langendijk passeerde. Ik moest toegeven dat ik ook wel eens foto's nam als ik in de natuur ben.
Natuur is natuurlijk betrekkelijk. Alle natuur in onze omgeving is door de mens aangelegd en georganiseerd. Maar we zijn al blij met een klein stromend riviertje met een wandelpad en groene planten er omheen.
Als je hier in gaat kom je langs een gans die jongen heeft.
Ik volgde de aanwijzingen en ontmoette de gans, het was een week na mijn ontmoeting met de reiger.
Als ik hem goed gedetermineerd heb is het een Canadese gans. Hij, of zij, dat kon ik niet zo goed zien liep daar rond en bewaakte vier jongen. Pluizige vogeltjes op hun eerste ontdekkingstocht in deze wereld.
maandag 25 mei 2020
Kleinschalige schoonheid
De regering propageert het kleinschalig genieten van de schoonheid in Nederland of andersom natuurlijk: het genieten van kleinschalige schoonheid in onze omgeving.Daarom neem ik nu de camera mee bij mijn zondagse wandelingen. En hier hemelsbreed nog geen vijfhonderd meter van ons huis staat deze reiger op de uitkijk naar passerende vis bij de stroomversnelling in de Aa of Weerijs.
Hij heeft daar denk ik zijn vaste stek.
De foto werd genomen in mei. Eigenlijk verwachtte ik al veel vogels bezig met broeden of al met jongen maar dat was vermoedelijk nog te vroeg. Het was erg stil.
zaterdag 23 mei 2020
Data
Miriam Rasch heeft een boek geschreven onder de titel Frictie. Nu heb ik dat boek niet gelezen, maar alleen de weerslag ervan, naar aanleiding van een interview met Miriam Rasch in het Financieel Dagblad.
Wat me opviel was de opmerking: De wereld is niet in data te vangen. Als ik de tekst goed begrijp dan heeft Miriam bezwaar tegen de drang ons leven te versimpelen in data. Het is een begrijpelijke vrees.
En toch gaan mijn gedachten weer terug naar de jaren zeventig. (van de 20e eeuw wel te verstaan). In de eerste helft van de 20e eeuw vierde het reductionisme hoogtij. Men ging er van uit dat men het functioneren van mensen en dieren (eigenlijk de hele wereld) kon begrijpen door hun onderdelen te begrijpen. En dus werden mensen en dieren, werd de wereld ontleed en de onderdelen werden verder ontleed, enz. En zo kon men van alle onderdelen precies bepalen wat ze deden en hoe ze werkten.
Alleen bleef één vraag onbeantwoord: hoe komt het nu dat die onderdelen samen een mens of een dier vormen? Het leidde tot de magische uitspraak: het geheel is meer dan de som van de delen.
Het bleek de essentie van een nieuwe manier van naar de wereld kijken: de systeemtheorie.
Op een andere manier gesteld was de vraag: Wat is eigenlijk leven?
Ik heb in mijn leven verschillende malen bij een sterfbed gestaan. Je staat erbij en kijkt er naar. Het ene moment is de persoon levend en het volgende is hij dood. Wat gebeurt er op dat moment?
We zijn nu een halve eeuw verder. De wetenschap heeft de onderdelen steeds verder geanalyseerd. Inmiddels weten we precies hoeveel genen een mens heeft, we kennen de samenstelling van DNA. Door experimenten weten we nu ook dat als je sommige genen verandert, dat dan ook de mens of het dier verandert. Maar hoe het komt dat de ene cel leeft en de ander niet is nog steeds een niet beantwoorde vraag.
In die halve eeuw heeft de computer zijn intree gedaan in ons leven en het internet. Grote bedrijven verzamelen alle mogelijke gegevens - data over ons. Want nog steeds geldt zoals in de tijd voor de systeemtheorie dat meten is weten. Maar weten we nu na het verzamelen van al die data wat we lekker vinden en waarbij we ons goed voelen? Miriam heeft daar wat moeite mee en probeert haar data spoor zo klein mogelijk te houden. Maar zo klein mogelijk betekent nog niet klein. En in feite stelt ze weer dezelfde vraag: wat is eigenlijk leven?
Misschien moeten we wel leren leven zonder antwoord op die vraag.
Wat me opviel was de opmerking: De wereld is niet in data te vangen. Als ik de tekst goed begrijp dan heeft Miriam bezwaar tegen de drang ons leven te versimpelen in data. Het is een begrijpelijke vrees.
En toch gaan mijn gedachten weer terug naar de jaren zeventig. (van de 20e eeuw wel te verstaan). In de eerste helft van de 20e eeuw vierde het reductionisme hoogtij. Men ging er van uit dat men het functioneren van mensen en dieren (eigenlijk de hele wereld) kon begrijpen door hun onderdelen te begrijpen. En dus werden mensen en dieren, werd de wereld ontleed en de onderdelen werden verder ontleed, enz. En zo kon men van alle onderdelen precies bepalen wat ze deden en hoe ze werkten.
Alleen bleef één vraag onbeantwoord: hoe komt het nu dat die onderdelen samen een mens of een dier vormen? Het leidde tot de magische uitspraak: het geheel is meer dan de som van de delen.
Het bleek de essentie van een nieuwe manier van naar de wereld kijken: de systeemtheorie.
Op een andere manier gesteld was de vraag: Wat is eigenlijk leven?
Ik heb in mijn leven verschillende malen bij een sterfbed gestaan. Je staat erbij en kijkt er naar. Het ene moment is de persoon levend en het volgende is hij dood. Wat gebeurt er op dat moment?
We zijn nu een halve eeuw verder. De wetenschap heeft de onderdelen steeds verder geanalyseerd. Inmiddels weten we precies hoeveel genen een mens heeft, we kennen de samenstelling van DNA. Door experimenten weten we nu ook dat als je sommige genen verandert, dat dan ook de mens of het dier verandert. Maar hoe het komt dat de ene cel leeft en de ander niet is nog steeds een niet beantwoorde vraag.
In die halve eeuw heeft de computer zijn intree gedaan in ons leven en het internet. Grote bedrijven verzamelen alle mogelijke gegevens - data over ons. Want nog steeds geldt zoals in de tijd voor de systeemtheorie dat meten is weten. Maar weten we nu na het verzamelen van al die data wat we lekker vinden en waarbij we ons goed voelen? Miriam heeft daar wat moeite mee en probeert haar data spoor zo klein mogelijk te houden. Maar zo klein mogelijk betekent nog niet klein. En in feite stelt ze weer dezelfde vraag: wat is eigenlijk leven?
Misschien moeten we wel leren leven zonder antwoord op die vraag.
woensdag 8 april 2020
In tijden van Corona
Voor mij is een van de meest opvallende verschijnselen tijdens deze Coronacrisis het hamsteren van WC-papier. We hebben gezien hoe sinds het begin van het afsluiten van een deel van het publiek leven, er een run op WC-papier is begonnen. In de kortste keren waren de schappen in de supermarkten leeg. Wat doen mensen met WC-papier.
Ik heb me er niet zo erg druk over gemaakt in de verwachting dat de voorraad wel weer zou worden aangevuld voordat ik zonder zou komen te zitten. Bovendien we zullen vaak naar de WC moeten om onze voorraad krantenpapier weg te vegen. Want onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar vroeger. Dat heb je als je ouder wordt.
Maar ik weet het niet meer. Wanneer heb ik voor het eerst eigenlijk WC-papier gebruikt? En ik weet ook niet meer wat we gebruikten voor het toiletpapier, vermoedelijk ook krantenpapier, waarvan de kwaliteit toen toch ook minder was dan tegenwoordig. De kwaliteit van het papier is natuurlijk wel belangrijk, want die bepaalt in hoge mate de geschiktheid voor het gebruik als WC-papier. En de ene krant is niet de andere. Ik moet er niet aan denken dat ik de omslag van een glossy nu zou moeten gebruiken. Om nog maar niet te spreken van de drukinkt. Is die wel milieuvriendelijk en laat ie geen zwarte letters na op mijn edele delen?
Er is papier genoeg zegt men, maar nog steeds is de aanvoer bij de supermarkt zeer onregelmatig. De verpakking van vier rollen die ik gewoonlijk meeneem als de voorraad daartoe aanleiding geeft, is soms niet beschikbaar, zodat ik noodgedwongen een verpakking van tien rollen meeneem. Maar daar is onze bergruimte eigenlijk niet op berekend.
Ik zag in de Washington Post dat de run op WC-papier niet alleen in Nederland speelt. Het artikel gaf een aardig beeld van het WCP-probleem. En passant werd vermeld dat de introductie van WCP niet van een leien dakje ging.
WCP werd geïntroduceerd in de jaren 1940 (geen wonder dat ik me niet kan herinneren hoe dat ging toen ik klein was: WCP aan de rol bestond nog niet). Men moest heel agressieve reclame campagnes hanteren die huisvrouwen in paniek brachten en waarbij chirurgen met handschoenen en scalpels zeiden: 'Het is jammer dat ze geen fatsoenlijk WCP kocht voor haar man.'
Maar er blijken toch veel wetenschappelijke problemen te rijzen rond WCP: vrijwel iedere universiteit heeft er mee te maken: wat beweegt sommige mensen (als er twee rollen hangen, zoals in veel openbare toiletten het geval is) om altijd te trekken van de volle rol, terwijl anderen altijd trekken van de leegste rol?
Het kan natuurlijk niet uitblijven: er ontstaat een zwarte handel in WCP, waar mensen informatie uitwisselden over waar nog WCP te krijgen is. En dat is niet alleen van vandaag.
Helemaal bont maakte een manager bij de Philadelphia Veteranen het die al in de jaren 1990 voor $ 34000 WCP van het stadion stal en daarmee de tegenstander in verlegenheid bracht. Het schandaal leidde tot een opmerkelijke uitspraak van een gemeente ambtenaar: 'Man hij veegde het hele stadion leeg.'
Ik heb me onlangs in een onbewaakt ogenblik nog geabonneerd op NRC Next voor het weekend. Ik denk dat ik voorlopig papier genoeg heb, ook als het WCP een tijd niet kan worden geleverd...
Ik heb me er niet zo erg druk over gemaakt in de verwachting dat de voorraad wel weer zou worden aangevuld voordat ik zonder zou komen te zitten. Bovendien we zullen vaak naar de WC moeten om onze voorraad krantenpapier weg te vegen. Want onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar vroeger. Dat heb je als je ouder wordt.
Maar ik weet het niet meer. Wanneer heb ik voor het eerst eigenlijk WC-papier gebruikt? En ik weet ook niet meer wat we gebruikten voor het toiletpapier, vermoedelijk ook krantenpapier, waarvan de kwaliteit toen toch ook minder was dan tegenwoordig. De kwaliteit van het papier is natuurlijk wel belangrijk, want die bepaalt in hoge mate de geschiktheid voor het gebruik als WC-papier. En de ene krant is niet de andere. Ik moet er niet aan denken dat ik de omslag van een glossy nu zou moeten gebruiken. Om nog maar niet te spreken van de drukinkt. Is die wel milieuvriendelijk en laat ie geen zwarte letters na op mijn edele delen?
Er is papier genoeg zegt men, maar nog steeds is de aanvoer bij de supermarkt zeer onregelmatig. De verpakking van vier rollen die ik gewoonlijk meeneem als de voorraad daartoe aanleiding geeft, is soms niet beschikbaar, zodat ik noodgedwongen een verpakking van tien rollen meeneem. Maar daar is onze bergruimte eigenlijk niet op berekend.
Ik zag in de Washington Post dat de run op WC-papier niet alleen in Nederland speelt. Het artikel gaf een aardig beeld van het WCP-probleem. En passant werd vermeld dat de introductie van WCP niet van een leien dakje ging.
WCP werd geïntroduceerd in de jaren 1940 (geen wonder dat ik me niet kan herinneren hoe dat ging toen ik klein was: WCP aan de rol bestond nog niet). Men moest heel agressieve reclame campagnes hanteren die huisvrouwen in paniek brachten en waarbij chirurgen met handschoenen en scalpels zeiden: 'Het is jammer dat ze geen fatsoenlijk WCP kocht voor haar man.'
Maar er blijken toch veel wetenschappelijke problemen te rijzen rond WCP: vrijwel iedere universiteit heeft er mee te maken: wat beweegt sommige mensen (als er twee rollen hangen, zoals in veel openbare toiletten het geval is) om altijd te trekken van de volle rol, terwijl anderen altijd trekken van de leegste rol?
Het kan natuurlijk niet uitblijven: er ontstaat een zwarte handel in WCP, waar mensen informatie uitwisselden over waar nog WCP te krijgen is. En dat is niet alleen van vandaag.
Helemaal bont maakte een manager bij de Philadelphia Veteranen het die al in de jaren 1990 voor $ 34000 WCP van het stadion stal en daarmee de tegenstander in verlegenheid bracht. Het schandaal leidde tot een opmerkelijke uitspraak van een gemeente ambtenaar: 'Man hij veegde het hele stadion leeg.'
Ik heb me onlangs in een onbewaakt ogenblik nog geabonneerd op NRC Next voor het weekend. Ik denk dat ik voorlopig papier genoeg heb, ook als het WCP een tijd niet kan worden geleverd...
dinsdag 7 januari 2020
Een nieuw jaar
Het heeft weinig zin om, in een discussie die gaat over de vraag of je nu twintig-twintig moet zeggen of tweeduizend twintig, een beetje sikkeneurig aan te komen zetten met de kanttekening dat het bereiken van 2020 nog niet het begin van een nieuw decennium betekent. Het is nog maar de vraag of er nog iemand is die het interessant vindt wanneer een eeuw of een decennium begint. Maar we kunnen deze periode bij wijze van tegemoetkoming wel aanduiden met de jaren twintig,
De jaren twintig zijn zeker wel begonnen met de onvermijdelijke gesprekken over het klimaat, de natuur, stikstof en broeikasgassen. Nu ook aangevuld met een vega-discussie. De snelle toename van nepvlees dreigt al te leiden tot een tekort aan grondstoffen (zei de krant). Ook hier zie je een taalprobleem. Want tot dusver halen we de vegaburger bij de slager. Moeten we die slager dan niet eigenlijk gewoon groenteboer noemen?
Gelukkig hebben we daar als individu al weer weinig over te zeggen. Op een gegeven dag blijkt dat iedereen om je heen twintig twintig zegt of tweeduizend twintig. Een discussie over hoe het moet en wat het beste is wordt gewoon achterhaald door de praktijk. Zo gaat het waarschijnlijk ook met de vegaslager.
Het nieuwe jaar is dus weer begonnen met de nieuwjaarswensen in de richting van iedereen die je voor het eerst ontmoet in twintigtwintig. En dus ook de eerste verjaardagen, het is opmerkelijk hoeveel verjaardagen in iemands netwerk rond de jaarwisseling vallen. En als jezelf ouder wordt wordt blijkbaar ook je netwerk ouder. En dus:
Nadat we de gastvrouw en de andere leden van het kleine gezelschap begroet en gefeliciteerd hebben en onze keuze voor het gebak bepaald, kijken we eens om ons heen. Ik ben terecht gekomen op een bank naast een man die Jan heet.
De vraag in mijn richting hoe het nu gaat, vestigt de aandacht op mijn oren, met een verwijzing naar de dubbele oorontsteking die me in de loop van november volledig doof maakte. Inmiddels kan ik in de meeste gevallen met afzonderlijke mensen wel weer communiceren, maar in groepen blijf ik toch het gevoel houden dat het beter moet kunnen. Het geeft een contact met Jan wiens oren ook niet meer bevredigend functioneren. maar hij is wel zeer tevreden over het gehoor apparaat dat overigens niet opvalt. Het gesprek leert dat hij bij dezelfde KNO-arts terecht is gekomen als ik. Dat geeft een band.
Onze gastvrouw staat zich inmiddels af te vragen of een van haar vaste vriendinnen de afspraak wel heeft onthouden. Er is aanleiding om aan te nemen dat die vriendin minstens een begin van dementie heeft.
Terwijl onze koffie wordt ingeschonken zie ik dat de handen van onze gastvrouw behoorlijk trillen. Heeft zij Parkinson? Gelukkig komt de dementerende vriendin u binnen en is het gezelschap compleet.
Jan vertelt me dat hij weliswaar gehandicapt is via zijn gehoor, maar dat zijn partner die tegenover ons zit het zeker ook niet gemakkelijk heeft. Van haar netvlies is nog maar een klein maanvormig sikkeltje bruikbaar, waardoor ze nauwelijks kan lezen. Gelukkig zijn er tegenwoordig geweldige technische hulpmiddelen waardoor ze toch kan 'lezen'.
Ik kan bevestigen dat dat een probleem is, want ik heb een vriend die aan beide ogen macula degeneratie heeft. Dat brengt met zich mee dat hij de dingen alleen kan zien als hij er langs kijkt. Maar deze opmerking gaat verloren want de ziekte van de partner van Jan is weer anders. Het resultaat is dat ze bijna niets ziet. Ze heeft echter wel een geweldig geheugen en dat compenseert voor een deel haar slechte gezicht.
Ik kijk nog eens en zie hoe zijn partner zoekt naar haar glas. Ze wordt geholpen door haar buurvrouw, waardoor duidelijk wordt dat ze inderdaad niet veel ziet. Als ze haar glas gevonden heeft tilt ze het mee twee trillende handen op.
We proosten met zijn allen: op een gelukkig 2020 en tot volgend jaar weer.
De jaren twintig zijn zeker wel begonnen met de onvermijdelijke gesprekken over het klimaat, de natuur, stikstof en broeikasgassen. Nu ook aangevuld met een vega-discussie. De snelle toename van nepvlees dreigt al te leiden tot een tekort aan grondstoffen (zei de krant). Ook hier zie je een taalprobleem. Want tot dusver halen we de vegaburger bij de slager. Moeten we die slager dan niet eigenlijk gewoon groenteboer noemen?
Gelukkig hebben we daar als individu al weer weinig over te zeggen. Op een gegeven dag blijkt dat iedereen om je heen twintig twintig zegt of tweeduizend twintig. Een discussie over hoe het moet en wat het beste is wordt gewoon achterhaald door de praktijk. Zo gaat het waarschijnlijk ook met de vegaslager.
Het nieuwe jaar is dus weer begonnen met de nieuwjaarswensen in de richting van iedereen die je voor het eerst ontmoet in twintigtwintig. En dus ook de eerste verjaardagen, het is opmerkelijk hoeveel verjaardagen in iemands netwerk rond de jaarwisseling vallen. En als jezelf ouder wordt wordt blijkbaar ook je netwerk ouder. En dus:
Nadat we de gastvrouw en de andere leden van het kleine gezelschap begroet en gefeliciteerd hebben en onze keuze voor het gebak bepaald, kijken we eens om ons heen. Ik ben terecht gekomen op een bank naast een man die Jan heet.
De vraag in mijn richting hoe het nu gaat, vestigt de aandacht op mijn oren, met een verwijzing naar de dubbele oorontsteking die me in de loop van november volledig doof maakte. Inmiddels kan ik in de meeste gevallen met afzonderlijke mensen wel weer communiceren, maar in groepen blijf ik toch het gevoel houden dat het beter moet kunnen. Het geeft een contact met Jan wiens oren ook niet meer bevredigend functioneren. maar hij is wel zeer tevreden over het gehoor apparaat dat overigens niet opvalt. Het gesprek leert dat hij bij dezelfde KNO-arts terecht is gekomen als ik. Dat geeft een band.
Onze gastvrouw staat zich inmiddels af te vragen of een van haar vaste vriendinnen de afspraak wel heeft onthouden. Er is aanleiding om aan te nemen dat die vriendin minstens een begin van dementie heeft.
Terwijl onze koffie wordt ingeschonken zie ik dat de handen van onze gastvrouw behoorlijk trillen. Heeft zij Parkinson? Gelukkig komt de dementerende vriendin u binnen en is het gezelschap compleet.
Jan vertelt me dat hij weliswaar gehandicapt is via zijn gehoor, maar dat zijn partner die tegenover ons zit het zeker ook niet gemakkelijk heeft. Van haar netvlies is nog maar een klein maanvormig sikkeltje bruikbaar, waardoor ze nauwelijks kan lezen. Gelukkig zijn er tegenwoordig geweldige technische hulpmiddelen waardoor ze toch kan 'lezen'.
Ik kan bevestigen dat dat een probleem is, want ik heb een vriend die aan beide ogen macula degeneratie heeft. Dat brengt met zich mee dat hij de dingen alleen kan zien als hij er langs kijkt. Maar deze opmerking gaat verloren want de ziekte van de partner van Jan is weer anders. Het resultaat is dat ze bijna niets ziet. Ze heeft echter wel een geweldig geheugen en dat compenseert voor een deel haar slechte gezicht.
Ik kijk nog eens en zie hoe zijn partner zoekt naar haar glas. Ze wordt geholpen door haar buurvrouw, waardoor duidelijk wordt dat ze inderdaad niet veel ziet. Als ze haar glas gevonden heeft tilt ze het mee twee trillende handen op.
We proosten met zijn allen: op een gelukkig 2020 en tot volgend jaar weer.
donderdag 14 november 2019
Is het mogelijk?
De inleiding ging over Alma Tadema. Als gevolg van een oorontsteking kon ik het gesproken woord niet verstaan. Ik was aangewezen op de geprojecteerde afbeeldingen. Misschien dat ik daardoor anders keek naar het vertoonde.
Een paar dingen vielen me zo al op. Bijv. de laatste regel van de ovezichtsdia:
. Een van de grootste kunstenaars ooit.
Een opmerkelijke uitspraak waar ik nog nooit van de goede man had gehoord. Maar hij bleek in zijn tijd (1836 - 1912) een man die met name in Engeland zeer gewaardeerd werd. Hij bracht het tot Sir Alma Tadema.
Tadema kon - dat bleek uit de gepresenteerde reproducties goed schilderen, met een oog voor detail. En hij had een verbazingwekkende productiviteit.
Maar nu - twee dagen a de presentatie intrigeerde me plotseling het zelfportret op 16-jarige leeftijd.
Let wel ik ben niet de geschikte persoon om kunst te beoordelen. Toch lijkt dit een werk dat nauwelijks bij de leeftijd past.
Hoe kun je op die leeftijd voldoende ervaring opdoen om de techniek van het schilderen op dat niveau onder de knie te krijgen. Een intrigerende vraag die me plotseling doet denken aan Rupert Sheldrake. Rupert Sheldrake was één van de zes mensen die door Wim Keyzer werden geïnterviewd en bijeen gebracht. Het leidde tot het boek Een Schitterend Ongeluk. Over Sheldrake zei Daniel Dennett dat hij ongelofelijk intelligent was, maar zijn ideeën waren volstrekt onjuist. het was een opvatting waarin hij werd bijgevallen door Stephen Gould.
Ik heb me overigens nooit erg sterk aangetrokken gevoeld tot de ideeën van Sheldrake. Ze waren me te vaag. Maar nu met dat portret van Tadema moest ik plotseling aan hem denken en aan zijn ideeën over morfogenese. Is het waar - dat is wat ik me herinner - dat als een rat vandaag hier in Europa iets leert, dat dan een volgende rat in Brazilië het sneller leert?
Hoe leert een genie? Hoe kan een Reshevsky op vijf-jarige leeftijd simultaan spelen tegen een hele groep gerenommeerde en geroutineerde schakers en de meeste partijen winnen? Hoe is het mogelijk dat zoals recent naar voren kwam een negenjarige jongen op voet van gelijkheid kan discussiëren met hoogleraren in de theoretische natuurkunde?
Hoe worden onze vermogens werkelijk over gedragen?
Het leven blijft een fascinerend iets.
Een paar dingen vielen me zo al op. Bijv. de laatste regel van de ovezichtsdia:
. Een van de grootste kunstenaars ooit.
Een opmerkelijke uitspraak waar ik nog nooit van de goede man had gehoord. Maar hij bleek in zijn tijd (1836 - 1912) een man die met name in Engeland zeer gewaardeerd werd. Hij bracht het tot Sir Alma Tadema.
Tadema kon - dat bleek uit de gepresenteerde reproducties goed schilderen, met een oog voor detail. En hij had een verbazingwekkende productiviteit.
Maar nu - twee dagen a de presentatie intrigeerde me plotseling het zelfportret op 16-jarige leeftijd.
Let wel ik ben niet de geschikte persoon om kunst te beoordelen. Toch lijkt dit een werk dat nauwelijks bij de leeftijd past.
Hoe kun je op die leeftijd voldoende ervaring opdoen om de techniek van het schilderen op dat niveau onder de knie te krijgen. Een intrigerende vraag die me plotseling doet denken aan Rupert Sheldrake. Rupert Sheldrake was één van de zes mensen die door Wim Keyzer werden geïnterviewd en bijeen gebracht. Het leidde tot het boek Een Schitterend Ongeluk. Over Sheldrake zei Daniel Dennett dat hij ongelofelijk intelligent was, maar zijn ideeën waren volstrekt onjuist. het was een opvatting waarin hij werd bijgevallen door Stephen Gould.
Ik heb me overigens nooit erg sterk aangetrokken gevoeld tot de ideeën van Sheldrake. Ze waren me te vaag. Maar nu met dat portret van Tadema moest ik plotseling aan hem denken en aan zijn ideeën over morfogenese. Is het waar - dat is wat ik me herinner - dat als een rat vandaag hier in Europa iets leert, dat dan een volgende rat in Brazilië het sneller leert?
Hoe leert een genie? Hoe kan een Reshevsky op vijf-jarige leeftijd simultaan spelen tegen een hele groep gerenommeerde en geroutineerde schakers en de meeste partijen winnen? Hoe is het mogelijk dat zoals recent naar voren kwam een negenjarige jongen op voet van gelijkheid kan discussiëren met hoogleraren in de theoretische natuurkunde?
Hoe worden onze vermogens werkelijk over gedragen?
Het leven blijft een fascinerend iets.
dinsdag 29 oktober 2019
Logica
Wie het boek Ons feilbare denken heeft gelezen kan minstens begrip opbrengen voor het onvermogen van de mens om logisch te denken.
Een van de meest voorkomende ideeën van de mens lijkt te zijn de gedachte: daarna en dus daarom. Zo heb ik bijvoorbeeld iets dat lijkt op een oorontsteking. De dokter schrijft me oordruppels voor. Na één nacht is de oorpijn afgenomen. Conclusie: het helpt: door de oordruppels verdwijnt de ontsteking.
Toevallig las ik voor dat ik naar de dokter ging een stukje over een suizend oor van Herman Pieter de Boer.(in: de vrouw in het maanlicht)
Warnier wordt op een dag geplaagd door een hevig suizend oor. Hij klaagt erover bij zijn vrouw, die schenkt wat slaolie in het oor en zegt ga nou maar slapen. De volgende morgen breekt er een hevig storm los met zware schade voor het hele dorp.
Na een tijdje krijgt Warnier weer een suizend oor. Hij waarschuwt het dorp dat maatregelen neemt en zo de schade door de volgende storm kan beperken.
We zien het: één ervaring is voldoende om een verband te leggen tussen een suizend oor en de komst van een zware storm. Dat is knap werk.
Al evenzeer toevallig was ik op zoek naar een bepaalde mythe over Zeus. Duck duck Go (een alternatief voor Google) leverde onder meer een artikel op over zes mythes over Zeus. De schrijver zegt dat er vele mythes over Zeus zijn. Hij weerlegt de hardnekkigste zes. Laten we eens zien hoe dat gebeurt. De schrijver zegt (de cursivering hierna verwijst naar mijn twijfel):
1. ‘Zeus was monogaam’
Een van de meest voorkomende ideeën van de mens lijkt te zijn de gedachte: daarna en dus daarom. Zo heb ik bijvoorbeeld iets dat lijkt op een oorontsteking. De dokter schrijft me oordruppels voor. Na één nacht is de oorpijn afgenomen. Conclusie: het helpt: door de oordruppels verdwijnt de ontsteking.
Toevallig las ik voor dat ik naar de dokter ging een stukje over een suizend oor van Herman Pieter de Boer.(in: de vrouw in het maanlicht)
Warnier wordt op een dag geplaagd door een hevig suizend oor. Hij klaagt erover bij zijn vrouw, die schenkt wat slaolie in het oor en zegt ga nou maar slapen. De volgende morgen breekt er een hevig storm los met zware schade voor het hele dorp.
Na een tijdje krijgt Warnier weer een suizend oor. Hij waarschuwt het dorp dat maatregelen neemt en zo de schade door de volgende storm kan beperken.
We zien het: één ervaring is voldoende om een verband te leggen tussen een suizend oor en de komst van een zware storm. Dat is knap werk.
Al evenzeer toevallig was ik op zoek naar een bepaalde mythe over Zeus. Duck duck Go (een alternatief voor Google) leverde onder meer een artikel op over zes mythes over Zeus. De schrijver zegt dat er vele mythes over Zeus zijn. Hij weerlegt de hardnekkigste zes. Laten we eens zien hoe dat gebeurt. De schrijver zegt (de cursivering hierna verwijst naar mijn twijfel):
1. ‘Zeus was monogaam’
Dit is aantoonbaar onjuist. Onder invloed van Macedonische apologeten werd Zeus in de 2e eeuw neergezet als vroom en toegewijd echtgenoot. Het imago van stoffige kamergeleerde kreeg vorm in Polyaenus’ heldendicht ‘Zeus is thuis’.
Al tijdens de renaissance bleek dat het beeld van Zeus als huismus niet klopte. In de 15e eeuw onthulde Sandro Botticelli in het geruchtmakende schilderij ‘De geboorte van Venus’ dat Zeus een buitenechtelijke dochter had.
Nu heb ik nooit geloofd dat Zeus monogaam was of is. Toch lijkt me dit nog niet helemaal een sluitend bewijs voor het tegendeel: Zeus was door het christendom afgedankt in de 3e eeuw. Een schilderij van 1200 jaar later zou bewijzen dat hij niet monogaam was?
2. ‘Zeus was linkshandig’
Homerus verwijst in zijn werk vaak naar Zeus als ‘de linkshandige heerser van de Olympus’. Uit marmeren beelden blijkt echter dat hij zijn bliksemschicht steevast in de rechterhand droeg.
Homerus verwijst in zijn werk vaak naar Zeus als ‘de linkshandige heerser van de Olympus’. Uit marmeren beelden blijkt echter dat hij zijn bliksemschicht steevast in de rechterhand droeg.
Je zou kunnen zeggen dat de beeldhouwers niet echt hun best gedaan hebben om Homerus te lezen, maar om nu te concluderen dat Homerus ongelijk had... Wie kende Zeus eigenlijk het beste?
3. ‘Zeus was vegetariër’
Dit misverstand ontstond na de gelijknamige carnavalskraker van de Doorzakkers, uit 1984. Plutarchus, Herodotus en andere bronnen uit de Oudheid spreken het gerucht niet tegen, maar hard bewijs ontbreekt.
Dit misverstand ontstond na de gelijknamige carnavalskraker van de Doorzakkers, uit 1984. Plutarchus, Herodotus en andere bronnen uit de Oudheid spreken het gerucht niet tegen, maar hard bewijs ontbreekt.
Als ik het goed begrijp ontstond deze mythe in 1984. Dat is wel heel hardnekkig!
4. ‘De ontvoering van Europa’
Bij veel mensen bestaat het beeld dat Zeus op een dag de Fenicische prinses Europa zag lopen op het strand van Sidon. In een poging haar te verleiden zou hij de gedaante van een stier hebben aangenomen om Europa vervolgens te ontvoeren naar Kreta en Rhadamanthys en Minos bij haar te verwekken onder een plataan in Gortys. Dit klopt.
Bij veel mensen bestaat het beeld dat Zeus op een dag de Fenicische prinses Europa zag lopen op het strand van Sidon. In een poging haar te verleiden zou hij de gedaante van een stier hebben aangenomen om Europa vervolgens te ontvoeren naar Kreta en Rhadamanthys en Minos bij haar te verwekken onder een plataan in Gortys. Dit klopt.
Wat klopt hier eigenlijk? Is het waar dat Zeus Europa heeft verleid en bij haar kinderen heeft verwekt?
5. ‘Er zijn 6 mythes over Zeus’
In werkelijkheid zijn het er maar 5.
In werkelijkheid zijn het er maar 5.
N.B. Dit staat er echt.
Ik wacht maar even af hoe het mijn oor gaat. Voorlopig is het effect van de oordruppels hoopgevend, al duurt het proces langer dan verwacht.
zaterdag 24 augustus 2019
James Bond
Dezer dagen werd bekend welke acteurs zullen spelen in de nieuwste James Bond film. Nu heb ik in de loop van de jaren de meeste James Bond films gezien. Maar iedere keer weer roept een film mijn associaties weer op met de eerste keer dat ik met James Bond in aanraking kwam. Dat was in 1961.
Ik was in Willemstad op Curaçao afgelost en inmiddels als passagier op een Zweedse tanker (de Varbergshus) onderweg naar Rotterdam. Aan boord waren drie Nederlanders, een stuurman die net als ik als passagier meevoer en een derde machinist die als elektricien deel uitmaakte van de bemanning. Deze laatste, een vijftiger had een cynische kijk op de zedeloosheid van de Zweedse officieren, die volgens hem naar zee gingen om het geld, de drank en (voor zover beschikbaar) vrouwen. Hij vertelde o.m. dat de nog betrekkelijk jonge hoofdmachinist (38) getrouwd was met een danseres of actrice, die zijn hele inkomen gebruikte en steeds maar om meer vroeg. Hij was zodanig uitgebuit, dat hij zijn uniform aan boord had moeten lenen van een van zijn collega's. Zijn vrouw was bij een vorige reis in Kiel aan boord gekomen, maar met een matroos weer vertrokken. De vorige hoofdmachinist had zijn vrouw mee aan boord gehad, maar die moest weg gestuurd worden omdat ze bij iedereen in bed kroop.
Er was blijkbaar op dat moment niet een sterke behoefte aan de olie die wij meebrachten. Want de Varbergshus voer de hele reis halve kracht. Het was begin november en slecht weer, De Varbergshus stampte en slingerde op de golven van de Atlantische oceaan. En mijn weerstand tegen zeeziekte werd weer flink overschreden.
De reis was voor mij extra spannend, omdat ik eerder met Anneke had afgesproken dat we gingen trouwen op 17 november. Een paar maanden eerder was ze in Winterswijk met de handschoen in ondertrouw gegaan.
Volgens de gegevens aan boord zouden we op 15 of 16 november in Rotterdam aankomen. Zou de trouwerij op 17 november nog wel doorgaan. Van op zee had ik Anneke een telegram gestuurd met de optimistische machtiging om de kaarten maar te versturen. Een paar dagen later kreeg ik haar antwoord dat ze dat toch te riskant had gevonden. Maar hoe de organisatie verder was was me volstrekt onduidelijk. En met iedere trage mijl van de Varbergshus bouwde de spanning zich op.
Onder die omstandigheden kreeg ik van de derde machinist de eerste boeken van Ian Fleming te lezen. Casino Royale en Live and Let Die. Zwarte Amerikaanse pocket books.
Ik kwam op 16 november 's avonds weer thuis. Mijn eerste vraag was: Trouw ik morgen? Dat bleek niet het geval. Maar dan toch zeker volgende week: de 24e? Maar de 24e had wat praktische problemen, want Ankie zou dan haar eerste kind krijgen... Uiteindelijk bleek de trouwdag op te moeten schuiven naar 21 december. Dat bleek met het oog op de kerstvakantie belangrijke voordelen te hebben.
In de tijd naar die trouwdag toe kon ik een begin maken met mijn eigen verzameling verhalen van James Bond. Er verscheen geleidelijk een hele plank met van die zwart gebonden boeken. Toen de eerste Bond-films verschenen bleek James Bond een gezicht te hebben; dat was het gezicht van Sean Connery. Connery was James Bond.
Dat is hij eigenlijk altijd gebleven.
Ik was in Willemstad op Curaçao afgelost en inmiddels als passagier op een Zweedse tanker (de Varbergshus) onderweg naar Rotterdam. Aan boord waren drie Nederlanders, een stuurman die net als ik als passagier meevoer en een derde machinist die als elektricien deel uitmaakte van de bemanning. Deze laatste, een vijftiger had een cynische kijk op de zedeloosheid van de Zweedse officieren, die volgens hem naar zee gingen om het geld, de drank en (voor zover beschikbaar) vrouwen. Hij vertelde o.m. dat de nog betrekkelijk jonge hoofdmachinist (38) getrouwd was met een danseres of actrice, die zijn hele inkomen gebruikte en steeds maar om meer vroeg. Hij was zodanig uitgebuit, dat hij zijn uniform aan boord had moeten lenen van een van zijn collega's. Zijn vrouw was bij een vorige reis in Kiel aan boord gekomen, maar met een matroos weer vertrokken. De vorige hoofdmachinist had zijn vrouw mee aan boord gehad, maar die moest weg gestuurd worden omdat ze bij iedereen in bed kroop.
Er was blijkbaar op dat moment niet een sterke behoefte aan de olie die wij meebrachten. Want de Varbergshus voer de hele reis halve kracht. Het was begin november en slecht weer, De Varbergshus stampte en slingerde op de golven van de Atlantische oceaan. En mijn weerstand tegen zeeziekte werd weer flink overschreden.
De reis was voor mij extra spannend, omdat ik eerder met Anneke had afgesproken dat we gingen trouwen op 17 november. Een paar maanden eerder was ze in Winterswijk met de handschoen in ondertrouw gegaan.
Volgens de gegevens aan boord zouden we op 15 of 16 november in Rotterdam aankomen. Zou de trouwerij op 17 november nog wel doorgaan. Van op zee had ik Anneke een telegram gestuurd met de optimistische machtiging om de kaarten maar te versturen. Een paar dagen later kreeg ik haar antwoord dat ze dat toch te riskant had gevonden. Maar hoe de organisatie verder was was me volstrekt onduidelijk. En met iedere trage mijl van de Varbergshus bouwde de spanning zich op.
Onder die omstandigheden kreeg ik van de derde machinist de eerste boeken van Ian Fleming te lezen. Casino Royale en Live and Let Die. Zwarte Amerikaanse pocket books.
Ik kwam op 16 november 's avonds weer thuis. Mijn eerste vraag was: Trouw ik morgen? Dat bleek niet het geval. Maar dan toch zeker volgende week: de 24e? Maar de 24e had wat praktische problemen, want Ankie zou dan haar eerste kind krijgen... Uiteindelijk bleek de trouwdag op te moeten schuiven naar 21 december. Dat bleek met het oog op de kerstvakantie belangrijke voordelen te hebben.
In de tijd naar die trouwdag toe kon ik een begin maken met mijn eigen verzameling verhalen van James Bond. Er verscheen geleidelijk een hele plank met van die zwart gebonden boeken. Toen de eerste Bond-films verschenen bleek James Bond een gezicht te hebben; dat was het gezicht van Sean Connery. Connery was James Bond.
Dat is hij eigenlijk altijd gebleven.
donderdag 15 augustus 2019
Noord Peene
We zouden naar het museum in Noordpeene gaan. Het was een van de bestemmingen in Nord-Pas de Calais, die naar verondersteld werd Benna en Georges niet gauw uit zichzelf zouden bezoeken, maar die naar voren komen als wij een paar dagen bij hen logeren.
Het museum in kwestie bleek meer wat we tegenwoordig een informatiecentrum zouden noemen. Het was gevestigd in een soort Vlaamse schuur met een pannendak. Noord-Peene ligt ten noordwesten van Saint-Omer en aan van de twee oude wegen die tijdens de slag bij Noordpeene naar Saint-Omer leidden. Er is trouwens ook een Zuidpeene, dat grenst aan Noordpeene in de richting van Cassel. Beide plaatsjes liggen aan een klein riviertje de Peene en dat stroomt dan weer vlak bij Noordpeene uit in de IJzer.
Om het belang van de slag bij Noorpeene te begrijpen moeten we ver terug in de vaderlandse en Franse geschiedenis. In Frankrijk regeerde Lodewijk IV. In de Zeven Provinciën Jan de Wit. (die van het gezegde: jongens van Jan de Wit). Tussen beide lagen de Spaanse Nederlanden. De glorie van de Spanjaarden was inmiddels danig getaand en hun bestuur van de Nederlanden werd ingeschat als zwak.
Men kan, als men de geschiedenis uit de 15e en 16e eeuw een beetje kent, enig begrip hebben voor het streven van Lodewijk naar 'natuurlijke grenzen'. Hij deed daarom een voorstel aan de Republiek om het tussenliggende gebied maar te verdelen. Jan de Wit voelde daar niet veel voor. Men kende inmiddels het het expansieve beleid van Lodewijk en had liever een buffer tussen de Republiek en Frankrijk dan Frankrijk als directe buur. Lodewijk lijkt wat beledigd te zijn geweest en begon de Hollandse oorlog. Hij sloot een verbond met de Engelsen om gezamenlijk over zee de Republiek binnen te vallen en zo een definitief einde te maken aan die vervloekte Hollanders.
In de republiek sprak men van een rampjaar: Terwijl de Fransen over land via Luik en Maastricht het land binnen vielen, kwam een oorlogsvloot van Engelsen en Fransen over zee. Ze kregen bijval van de bisschop van Munster en die van Keulen die graag een stukje graan mee wilden pikken.
Het was 1672 en het vervolg is vermoedelijk in grote lijnen bekend. Het land werd voor een deel onder water gezet. Jan de Wit en zijn broer Cornelis werden vermoord en Willem van Oranje werd als Willem III stadhouder. Willem sprak de historische woorden: Ik zal me verdedigen tot in de laatste greppel.
Gelukkig voor de Republiek was daar ook Michiel de Ruiter die de Engelse en Franse vloot uit elkaar dreef en ze toen afzonderlijk baas kon. En bovendien had Frankrijk meer vijanden dan de Republiek alleen. Vanuit Spanje werd Frankrijk in het zuiden aangevallen. En Lodewijk moest zijn troepen terugtrekken.
Ook de keizer van het Heilige Duitse Roomse rijk trok zijn wenkbrauwen op, zodat de beide bisschoppen zich haastig terug trokken. (Aan de bisschop van Munster, ene Berend, hebben we nog een kinderliedje te danken: Berend Botje ging uitvaren...)
In 1674 waren drie van de vier invallers weer buiten de deur. Alleen Frankrijk bleef doorgaan; nu met name aan zijn noordgrens. Daar was nog een Vlaamse enclave met als belangrijkste plaats Saint-Omer. Als die in Franse handen kwam vormde dat een mooie afronding van de noordgrens van Frankrijk. En nu de Republiek en Spanje bondgenoten waren. (uiteindelijk: Vlaanderen was Spaans, ging Willem III met een behoorlijke legermacht naar het zuiden om Saint-Omer veilig te stellen.
Willem bleek onvoldoende kennis te hebben van het terrein. Saint-Omer grenst aan drie kanten aan moeras en er waren eigenlijk maar twee bruikbare wegen, beide naar het schijnt aangelegd door de Romeinen. Bovendien stond het water in de Peene en de IJzer zeer hoog. Dus bij de omtrekkende beweging die Willem III met zijn troepen wilde maken om de Franse troepen die de weg bezetten van opzij aan te vallen belandden zijn soldaten in het water. (Een curieuze betekenis van het woord belanden op zo'n moment).
De strijd werd verloren en Saint-Omer werd Frans. Maar de strijd leeft nog steeds in het museum van Noordpeene. Onze gids maakte de indruk dat zijn sympathie niet uitging naar Lodewijk IV die iedere tien jaar van zijn regering weer een stukje van Vlaanderen had afgesnoept. Hij legde alles uit aan de hand van een grote maquette van het gebied. Hij had zelf meegeholpen aan het maken van de maquette en gaf toe dat die niet in alle opzichten op schaal was.
Vlakbij het museum was ook de kerk die in de slag grotendeels in puin werd geschoten. Om de een of andere reden was toen de toren blijven staan, daar heeft men toen een nieuwe kerk omheen gebouwd, maar wel met een andere kleur baksteen. De foto laat de plaatselijke stortplaats tegen de muur van de kerk zien. Een huiselijk tafereel.
Het museum in kwestie bleek meer wat we tegenwoordig een informatiecentrum zouden noemen. Het was gevestigd in een soort Vlaamse schuur met een pannendak. Noord-Peene ligt ten noordwesten van Saint-Omer en aan van de twee oude wegen die tijdens de slag bij Noordpeene naar Saint-Omer leidden. Er is trouwens ook een Zuidpeene, dat grenst aan Noordpeene in de richting van Cassel. Beide plaatsjes liggen aan een klein riviertje de Peene en dat stroomt dan weer vlak bij Noordpeene uit in de IJzer.
Om het belang van de slag bij Noorpeene te begrijpen moeten we ver terug in de vaderlandse en Franse geschiedenis. In Frankrijk regeerde Lodewijk IV. In de Zeven Provinciën Jan de Wit. (die van het gezegde: jongens van Jan de Wit). Tussen beide lagen de Spaanse Nederlanden. De glorie van de Spanjaarden was inmiddels danig getaand en hun bestuur van de Nederlanden werd ingeschat als zwak.
Men kan, als men de geschiedenis uit de 15e en 16e eeuw een beetje kent, enig begrip hebben voor het streven van Lodewijk naar 'natuurlijke grenzen'. Hij deed daarom een voorstel aan de Republiek om het tussenliggende gebied maar te verdelen. Jan de Wit voelde daar niet veel voor. Men kende inmiddels het het expansieve beleid van Lodewijk en had liever een buffer tussen de Republiek en Frankrijk dan Frankrijk als directe buur. Lodewijk lijkt wat beledigd te zijn geweest en begon de Hollandse oorlog. Hij sloot een verbond met de Engelsen om gezamenlijk over zee de Republiek binnen te vallen en zo een definitief einde te maken aan die vervloekte Hollanders.
In de republiek sprak men van een rampjaar: Terwijl de Fransen over land via Luik en Maastricht het land binnen vielen, kwam een oorlogsvloot van Engelsen en Fransen over zee. Ze kregen bijval van de bisschop van Munster en die van Keulen die graag een stukje graan mee wilden pikken.
Het was 1672 en het vervolg is vermoedelijk in grote lijnen bekend. Het land werd voor een deel onder water gezet. Jan de Wit en zijn broer Cornelis werden vermoord en Willem van Oranje werd als Willem III stadhouder. Willem sprak de historische woorden: Ik zal me verdedigen tot in de laatste greppel.
Gelukkig voor de Republiek was daar ook Michiel de Ruiter die de Engelse en Franse vloot uit elkaar dreef en ze toen afzonderlijk baas kon. En bovendien had Frankrijk meer vijanden dan de Republiek alleen. Vanuit Spanje werd Frankrijk in het zuiden aangevallen. En Lodewijk moest zijn troepen terugtrekken.
Ook de keizer van het Heilige Duitse Roomse rijk trok zijn wenkbrauwen op, zodat de beide bisschoppen zich haastig terug trokken. (Aan de bisschop van Munster, ene Berend, hebben we nog een kinderliedje te danken: Berend Botje ging uitvaren...)
In 1674 waren drie van de vier invallers weer buiten de deur. Alleen Frankrijk bleef doorgaan; nu met name aan zijn noordgrens. Daar was nog een Vlaamse enclave met als belangrijkste plaats Saint-Omer. Als die in Franse handen kwam vormde dat een mooie afronding van de noordgrens van Frankrijk. En nu de Republiek en Spanje bondgenoten waren. (uiteindelijk: Vlaanderen was Spaans, ging Willem III met een behoorlijke legermacht naar het zuiden om Saint-Omer veilig te stellen.
Willem bleek onvoldoende kennis te hebben van het terrein. Saint-Omer grenst aan drie kanten aan moeras en er waren eigenlijk maar twee bruikbare wegen, beide naar het schijnt aangelegd door de Romeinen. Bovendien stond het water in de Peene en de IJzer zeer hoog. Dus bij de omtrekkende beweging die Willem III met zijn troepen wilde maken om de Franse troepen die de weg bezetten van opzij aan te vallen belandden zijn soldaten in het water. (Een curieuze betekenis van het woord belanden op zo'n moment).
De strijd werd verloren en Saint-Omer werd Frans. Maar de strijd leeft nog steeds in het museum van Noordpeene. Onze gids maakte de indruk dat zijn sympathie niet uitging naar Lodewijk IV die iedere tien jaar van zijn regering weer een stukje van Vlaanderen had afgesnoept. Hij legde alles uit aan de hand van een grote maquette van het gebied. Hij had zelf meegeholpen aan het maken van de maquette en gaf toe dat die niet in alle opzichten op schaal was.
Vlakbij het museum was ook de kerk die in de slag grotendeels in puin werd geschoten. Om de een of andere reden was toen de toren blijven staan, daar heeft men toen een nieuwe kerk omheen gebouwd, maar wel met een andere kleur baksteen. De foto laat de plaatselijke stortplaats tegen de muur van de kerk zien. Een huiselijk tafereel.
zondag 21 juli 2019
Taal
In mijn teksten ben ik meestal kort van stof. Vermoedelijk mis ik in mijn opvoeding de ontwikkeling van de retorica. Ik herinner me uit mijn HBS-tijd een repetitie Staatsinrichting. De leraar, mr. Baert, was een lange man met een klein hoofd en hele grote handen. Als hij aan zijn tafeltje voor de klas zat verdween zijn hele hoofd in die grote handen. Het is een beeld dat me altijd gefascineerd heeft.
Ik kreeg een vijf voor die repetitie. Bij de bespreking vertelde Baert wat hij eigenlijk aan informatie in die repetitie had verwacht. Bij het doorlezen van mijn eigen tekst had ik het gevoel dat ik alles had genoemd wat hij had verwacht. Dus in een poging mijn cijfer te verbeteren vroeg ik mr. Baert wat er in mijn tekst mu eigenlijk ontbrak. Het antwoord: Wat staat er nu wel in? was voor mij op dat moment niet erg bevredigend. Maar zoals gezegd ik was ook toen al kort van stof.
Ik moest aan dat moment denken toen ik even zat te bladeren in het boek Utopie en kritisch denken, van Martin Plattel. (Plattel werd hoogleraar sociale wijsbegeerte in Tilburg in de tijd dat ik die gedachtewisseling met mr. Baert had). Ik had dat boek uit de kast gepakt omdat ik me even bezig hield met de utopisten onder de socialisten, de merkwaardige mensen uit een voorbije tijd die een naar hun gevoel betere maatschappij nastreefden.
De passage die me aan het denken zette was deze:
Kritiek treedt vooral op een in krisissituatie. Een krisis immers geeft een kritieke situatie aan. wanneer de maatschappij in een krisis verkeert, dan staat zij op een kritieke tweesprong. Haar ziektekrisis heeft dan een moment bereikt, waarin het maatschappelijk organisme staat voor de verplichtende keuze van ja of neen; ofwel zij kiest de weg van de genezing en mobiliseert daarvoor alle nog aanwezige levenskrachten ofwel zij kwijnt langzaam weg door uittering.
De schrijfwijze van crisis typeert het revolutionaire karakter van de tijd waarin het boek geschreven werd (1970).
De spelling van het Nederlands, was de gedachte toen, kon aanzienlijk eenvoudiger, want waarom zou je voor dezelfde au-klank twee schrijfwijzen moeten hebben? Als je goud als gaud schreef zou niemand zich hoeven afvragen hoe de spelling eigenlijk was. Ik deed aan die stroming van harte mee en beplakte tot verbazing van de toenmalige bestuurders in Breda mijn teksten met een etiket:
Dit wert geschreven in de vereenvaudigde spelling.
In de loop van de jaren vijftig en zestig (van de 20e eeuw moet ik er bij zeggen) kon ik genieten van de manier waarop Havank, schrijver van toen populaire detectiveromans zijn teksten aan elkaar reeg. En later toen ik voor de communicatie met mijn familie aangewezen was op het schrijven van brieven kon ik me naar het voorbeeld van Havank uitleven in mijn eigen taalkronkels. Vermoedelijk hebben die mijn familie wel op de proef gesteld.
Teksten als de hierboven geciteerde van Plattel leiden bij mij desondanks al gauw tot een vorm van geestelijke uitputting. Waarom in een alinea driemaal hetzelfde zeggen? Maar vermoedelijk raken we daar aan een persoonlijk tekort. Zoals gezegd vermoedelijk mis ik in mijn opvoeding de ontwikkeling van de retorica.
Ik kreeg een vijf voor die repetitie. Bij de bespreking vertelde Baert wat hij eigenlijk aan informatie in die repetitie had verwacht. Bij het doorlezen van mijn eigen tekst had ik het gevoel dat ik alles had genoemd wat hij had verwacht. Dus in een poging mijn cijfer te verbeteren vroeg ik mr. Baert wat er in mijn tekst mu eigenlijk ontbrak. Het antwoord: Wat staat er nu wel in? was voor mij op dat moment niet erg bevredigend. Maar zoals gezegd ik was ook toen al kort van stof.
Ik moest aan dat moment denken toen ik even zat te bladeren in het boek Utopie en kritisch denken, van Martin Plattel. (Plattel werd hoogleraar sociale wijsbegeerte in Tilburg in de tijd dat ik die gedachtewisseling met mr. Baert had). Ik had dat boek uit de kast gepakt omdat ik me even bezig hield met de utopisten onder de socialisten, de merkwaardige mensen uit een voorbije tijd die een naar hun gevoel betere maatschappij nastreefden.
De passage die me aan het denken zette was deze:
Kritiek treedt vooral op een in krisissituatie. Een krisis immers geeft een kritieke situatie aan. wanneer de maatschappij in een krisis verkeert, dan staat zij op een kritieke tweesprong. Haar ziektekrisis heeft dan een moment bereikt, waarin het maatschappelijk organisme staat voor de verplichtende keuze van ja of neen; ofwel zij kiest de weg van de genezing en mobiliseert daarvoor alle nog aanwezige levenskrachten ofwel zij kwijnt langzaam weg door uittering.
De schrijfwijze van crisis typeert het revolutionaire karakter van de tijd waarin het boek geschreven werd (1970).
De spelling van het Nederlands, was de gedachte toen, kon aanzienlijk eenvoudiger, want waarom zou je voor dezelfde au-klank twee schrijfwijzen moeten hebben? Als je goud als gaud schreef zou niemand zich hoeven afvragen hoe de spelling eigenlijk was. Ik deed aan die stroming van harte mee en beplakte tot verbazing van de toenmalige bestuurders in Breda mijn teksten met een etiket:
Dit wert geschreven in de vereenvaudigde spelling.
In de loop van de jaren vijftig en zestig (van de 20e eeuw moet ik er bij zeggen) kon ik genieten van de manier waarop Havank, schrijver van toen populaire detectiveromans zijn teksten aan elkaar reeg. En later toen ik voor de communicatie met mijn familie aangewezen was op het schrijven van brieven kon ik me naar het voorbeeld van Havank uitleven in mijn eigen taalkronkels. Vermoedelijk hebben die mijn familie wel op de proef gesteld.
Teksten als de hierboven geciteerde van Plattel leiden bij mij desondanks al gauw tot een vorm van geestelijke uitputting. Waarom in een alinea driemaal hetzelfde zeggen? Maar vermoedelijk raken we daar aan een persoonlijk tekort. Zoals gezegd vermoedelijk mis ik in mijn opvoeding de ontwikkeling van de retorica.
Abonneren op:
Posts (Atom)
