zondag 21 juli 2019

Taal

In mijn teksten ben ik meestal kort van stof. Vermoedelijk mis ik in mijn opvoeding de ontwikkeling van de retorica. Ik herinner me uit mijn HBS-tijd een repetitie Staatsinrichting. De leraar, mr. Baert, was een lange man met een klein hoofd en hele grote handen. Als hij aan zijn tafeltje voor de klas zat verdween zijn hele hoofd in die grote handen. Het is een beeld dat me altijd gefascineerd heeft.
Ik kreeg een vijf voor die repetitie. Bij de bespreking vertelde Baert wat hij eigenlijk aan informatie in die repetitie had verwacht. Bij het doorlezen van mijn eigen tekst had ik het gevoel dat ik alles had genoemd wat hij had verwacht. Dus in een poging mijn cijfer te verbeteren vroeg ik mr. Baert wat er in mijn tekst mu eigenlijk ontbrak. Het antwoord: Wat staat er nu wel in? was voor mij op dat moment niet erg bevredigend. Maar zoals gezegd ik was ook toen al kort van stof.

Ik moest aan dat moment denken toen ik even zat te bladeren in het boek Utopie en kritisch denken, van Martin Plattel. (Plattel werd hoogleraar sociale wijsbegeerte in Tilburg in de tijd dat ik die gedachtewisseling met mr. Baert had). Ik had dat boek uit de kast gepakt omdat ik me even bezig hield met de utopisten onder de socialisten, de merkwaardige mensen uit een voorbije tijd die een naar hun gevoel betere maatschappij nastreefden.

De passage die me aan het denken zette was deze:
Kritiek treedt vooral op een in krisissituatie. Een krisis immers geeft een kritieke situatie aan. wanneer de maatschappij in een krisis verkeert, dan staat zij op een kritieke tweesprong. Haar ziektekrisis heeft dan een moment bereikt, waarin het maatschappelijk organisme staat voor de verplichtende keuze van ja of neen; ofwel zij kiest de weg van de genezing en mobiliseert daarvoor alle nog aanwezige levenskrachten ofwel zij kwijnt langzaam weg door uittering.

De schrijfwijze van crisis typeert het revolutionaire karakter van de tijd waarin het boek geschreven werd (1970).
De spelling van het Nederlands, was de gedachte toen, kon aanzienlijk eenvoudiger, want waarom zou je voor dezelfde au-klank twee schrijfwijzen moeten hebben? Als je goud als gaud schreef zou niemand zich hoeven afvragen hoe de spelling eigenlijk was. Ik deed aan die stroming van harte mee en beplakte tot verbazing van de toenmalige bestuurders in Breda mijn teksten met een etiket:
Dit wert geschreven in de vereenvaudigde spelling.

In de loop van de jaren vijftig en zestig (van de 20e eeuw moet ik er bij zeggen) kon ik genieten van de manier waarop Havank, schrijver van toen populaire detectiveromans zijn teksten aan elkaar reeg. En later toen ik voor de communicatie met mijn familie aangewezen was op het schrijven van brieven kon ik me naar het voorbeeld van Havank uitleven in mijn eigen taalkronkels. Vermoedelijk hebben die mijn familie wel op de proef gesteld.

Teksten als de hierboven geciteerde van Plattel leiden bij mij desondanks al gauw tot een vorm van geestelijke  uitputting. Waarom in een alinea driemaal hetzelfde zeggen? Maar vermoedelijk raken we daar aan een persoonlijk tekort. Zoals gezegd vermoedelijk mis ik in mijn opvoeding de ontwikkeling van de retorica. 




Geen opmerkingen: