vrijdag 3 augustus 2018

Blunder

Het is warm dezer dagen. Terwijl het ene na het andere warmte en droogte record wordt gebroken probeert iedereen zo goed mogelijk de dagelijkse dingen te doen. Ik ook.
Na een bezoekje aan de dokter had ik materiaal meegekregen voor een onderzoek van mijn ontlasting. (Het is altijd een veeg teken als je ontlasting onderwerp van gesprek gaat worden.) Toen ik terugkwam van de prikpost waar ik het materiaal voor nader onderzoek had achtergelaten, kwam ik een van de buren tegen onderweg naar de restafval container. Hij liep ongemakkelijk en vertelde op mijn desbetreffende vraag dat hij een lordose had en zijn rugwervels plaatselijk vergroeid waren, hetgeen een zeer pijnlijke rug opleverde. Hij leek plots een oude man.
Dichter bij de ingang trof ik de buurvrouw. Ze had de hond die bij haar en haar man logeerde bij zich en maakte een wat geagiteerde indruk. Ze vertelde, terwijl we op weg naar de lift gingen, dat ze een zeer onrustige nacht hadden gehad. De hond die anders altijd de hele nacht sliep hield maar niet op met blaffen en onrustig doen.
Midden in de nacht had de buurman nog een keer de drinkbak van de hond gevuld maar dat hielp niet.
Uiteindelijk had de buurvrouw zich het probleem aangetrokken en was met de hond gaan wandelen. Maar zelfs dat hielp niet. De hond hoefde helemaal niets maar bleef onrustig en weigerde zelfs de drinkbak leeg te drinken.
Dat bracht de buurvrouw op de gedachte de drinkbak eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Ze rook eraan en begreep wat er aan de hand was: de drinkbak was gevuld met jenever. Nu was het leed snel geleden. Ze leegde de drinkbak, maakte hem schoon en vulde hem met water. De hond viel er op aan en dronk de bak in een keer leeg. En toen de bak weer gevuld was, deed hij dat nog een keer.
'Maar het was wel een blunder, hè, zei de buurvrouw, terwijl ik de lift verliet.
Dat bevestigde ik.
De fles jenever heeft de buurman in huis voor het geval wij op bezoek komen. Maar voor ons hoeft hij niet gekoeld te worden. Maar blijkbaar had de buurman de aangebroken fles in de koelkast gezet en die abusievelijk gebruikt om de drinkbak te vullen. 

maandag 30 juli 2018

Dopen

Onze beide jongste achterkleinkinderen zouden gedoopt worden. Voor zover ik het begrijp vonden de beide vaders, onze kleinkinderen, het niet zo nodig, maar ze hadden ook geen principiële bezwaren en er was druk vanuit de schoonfamilie. Het dopen zou wel geen kwaad kunnen.
Het dopen heeft natuurlijk wel gevolgen: als naaste omgeving behoor je de dopeling dan wel zijn ouders in zijn of haar plaats een cadeautje te geven. Dat is voor grootouders en overgrootouders wel een uitdaging. Wat geef je in zo'n geval?
Op voorstel van Anneke besloten we voor de ene dopeling, Eléonore tot een bijbel; voor de ander Matthew tot een zilveren spaarpot (uiteindelijk dat gezin had bij een vorige gelegenheid al een bijbel gehad). Een bijbel lijkt een beetje dubbelzinnig cadeau. Voor zover ik na kan gaan bezoeken de vier ouders geen van alle ooit de kerk voor een reguliere dienst. Betekent een bijbel nu  dat we ze aanmoedigen dat wel te doen?
De doopdienst vond plaats in het dorp Rubroeck, ergens tussen Essquelbecq (waar we verblijven) en Volckerinkhove (waar Matthew woont). De doopdienst was geen reguliere dienst waarin kinderen worden gedoopt, maar een aanhangsel aan de gewone dienst. Voor we met de kinderen de kerk in konden moest de gaande dienst dan ook eerst eindigen.
De kinderen en hun ouders stonden daarom wat ongemakkelijk te wachten tot de toegang werd vrijgegeven. Daardoor was het mij mogelijk om vast te stellen dat de kerk was gebouwd ter ere van ene Willem geboortig uit de omgeving van Rubroeck, die geleefd heeft tussen 1220 en 1270 en zich als jongeling aansloot bij de Franciscanen. Hij kreeg een opdracht van de paus om contact te zoeken met (de nazaten van) Dzjengis Kahn en ze over te halen christen te worden en hun hulp te zoeken in de niet aflatende strijd tegen de islam. Willem slaagde niet in zijn missie maar zijn avontuurlijk leven bleek voldoende inspiratie voor het bouwen van een kerk.
Het was een imponerend grote kerk voor een plaats als Rubroeck en het metselwerk maakte een verweerde en dus oude indruk, maar ik zag niet zo gauw hoe oud.
Van binnen bleek het bouwwerk rijk versierd, met kleurige glas in lood ramen die duidelijk niet erg oud waren en links van de ingang stond een vier meter hoge afbeelding van Willem. Een reus in monnikskleren die ongetwijfeld jaarlijks meeloopt in de optocht van de reuzen. Rechts van de ingang was een beeldenscène uit de bijbel waarbij een viertal vrouwen staat te treuren bij het lijk van Jezus. Jezus compleet met wonden in handen en voeten en in de buik, maar verder voor iemand die gegeseld is en gekruisigd opmerkelijk gaaf. De vrouwen hadden (levensecht) gipsen tranen aan hun gipsen ogen.
Er was werk gemaakt van de doopplechtigheid. Er was een pastoor (denk ik) die eerst controleerde of de kinderen die daar voorin de kerk zaten wel de verwachte dopelingen waren. Hij vroeg het aan de ouders omdat de kinderen nog geen antwoord konden geven op de vragen. (Een twijfelachtige identificatie eigenlijk, maar goed genoeg voor de pastoor). De pastoor had een vrouwelijke assistent, Josien (geloof ik), die als ceremoniemeester optrad.
Nu we zeker wisten wie de dopelingen waren (de kerkbevolking bestond alleen uit de familieleden en genodigde vrienden die dat allang wisten) moesten de ouders een verklaring afleggen waarom ze hun kind wilden laten dopen, en vervolgens moesten de peters en meters hetzelfde doen. Dat bleken dezelfde personen te zijn. Ik kon het allemaal niet goed verstaan, enerzijds doordat mijn Frans toch niet goed genoeg is, anderzijds doordat ik enigszins hardhorend ben, maar eveneens doordat het uithoudingsvermogen van de dopelingen inmiddels overbelast was geworden en de kinderen nog maar met moeite door hun ouders bij de les gehouden konden worden.
Het was voor de pastoor een goede gelegenheid om aan de toekomst van de kerk te denken. Vermoedelijk daarom was nu het woord aan Josien die alle kinderen uitnodigde om een bijdrage te leveren. Zeven kinderen kwamen enthousiast toegesneld. Zij kregen voor zover ik het begreep een uitleg over wat de bedoeling was van de doop en opstanding uit de dood. Dat begon met de vraag wat je kon doen met water. Om te controleren of ze het wel begrepen stelde de pastoor tussendoor allerlei vragen die duidelijk boven het niveau van de kinderen uitgingen. Rose, die ook vooraan stond keek dan ook bij iedere vraag wanhopig achterom met een gezicht van: waar heeft hij het over?
Na deze catechisatie was het moment uiteindelijk gekomen voor de werkelijke doop. Terwijl Eleonore en Matthew zich al geruime tijd schreeuwend afvroegen wanneer ze weer mochten gaan spelen, werd hun hoofd natgemaakt bij de gebruikelijke kreet dat het gebeurde in de naam van de vader-de zoon-en-de heilige geest-. amen. De ceremonie was nu bijna over. Terwijl de peters en meters nog het hoofd van de kinderen afdroogden, moesten ze  met zijn allen naar het altaar om zich in te schrijven in de kerkelijke registers.
Met een hoorbare zucht van verlichting verlieten de toehoorders de kerk.

maandag 16 juli 2018

Emancipatie

Ik beëindigde mijn periode van twintig jaar als toehoorder bij de fractievergaderingen van D66. Het was opnieuw het einde van een bestuursperiode. Mijn bijdrage aan de discussie was beperkt, maar als blijk van waardering voor mijn aanwezigheid kreeg ik het boek Redelijk radicaal, over 50 jaar geschiedenis van D66. In het boek trof ik een tekst van Henriëtte Prast over wat nog niet was volbracht: een sociaal-liberale emancipatieagenda.
Nu is emancipatie ook al weer een onderwerp waarover van alles te zeggen valt. Zo kwam tijdens het juist geëindigde tennis toernooi van Wimbledon ook de rol van Betty Stöve nog ter sprake. Betty had samen met Billy Jean King een belangrijke rol gespeeld bij het gelijk trekken van de prijzen van het vrouwentennis met die van de mannen.
Een kleinigheid blijft er misschien nog te wensen bij Wimbledon: misschien moeten de finales van het mannen en het vrouwentennis afwisselend op zondag gehouden worden.
Ik zou het verhaal van Henriëtte Prast na lezing misschien weer dicht geslagen hebben en er niet meer aan gedacht. Want ik was het eigenlijk grotendeels met haar eens. Er moet nog wat gedaan worden voor de emancipatie. Maar ergens werd ik geprikkeld door een opmerking die twee keer werd gemaakt, n.l. dat ook in het schaakspel de emancipatie nog een taak had, omdat het bij het schaakspel gaat om de koning. Het is waar. Het gaat bij het schaakspel om de koning. Nu heb ik jarenlang wedstrijdschaak gespeeld en ik kan me niet herinneren dat ik ooit enige geslachtelijke associatie heb gehad bij het spelen met de koningin. De koningin was en is gewoon één van de stukken, stukken die zich van elkaar onderscheiden door hun spelmogelijkheden. De koningin beschouwen als een bewijs van onvoldoende emancipatie lijkt me dan ook een non-discussie.
Ik had wel nog een andere associatie. Ik dacht aan mijn vader. Want stond er in de krant in 1954: bij de heer Polling gaat het om de koningin. Het was de weergave van een interview over Superschaak.
Ik zou niet willen zeggen dat mijn vader een toonbeeld van emancipatie was, maar hij kwam wel uit een omgeving waar emancipatie al een belangrijke rol speelde. Al zou je dat niet onmiddellijk opmerken. In het gezin van zijn ouders waren vier kinderen, eerlijk verdeeld twee jongens en twee meisjes. De jongens gingen naar de Kweekschool in Deventer en de meisjes naar de Normaalschool in Almelo. Het gezin woonde in Vriezenveen. De kweekschool had een hogere status dan de normaalschool.
Maar de oudste van de twee meisjes (Jantje) trouwde al in 1914 met een van de tien kinderen Vos. Jantje werd daardoor de schoonzus van Hein Vos, die later, onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog, minister van Arbeid was. Deze Hein Vos was homofiel en kwam daar voor uit. Hij leefde samen met de schrijver Aar van de Werfhorst. Homoseksualiteit was in die periode niet bespreekbaar en er is alle aanleiding om aan te nemen dat dat een factor was waardoor het ministerschap niet lang geduurd heeft. De moeder van Hein Vos (en natuurlijk van de man van Jantje) was onderwijzeres. Zij was de eerste vrouw die niet ontslagen werd toen ze trouwde. Maar dat gebeurde in Friesland, waar het socialisme sterke wortels had. Het was een geëmancipeerd gemeenschap.   
Mijn vader was in 1917 in militaire dienst. Niet zo vreemd, want in die tijd was een groot deel van de Nederlandse jonge mannen gemobiliseerd in verband met de Eerste Wereldoorlog. Omdat Nederland neutraal was had die mobilisatie in de eerste plaats symbolische betekenis. De soldaten moesten wel geoefend worden, maar niet actief. Wel drong de informatie over de oorlog door in Nederland. En zoals mijn vader later zou zeggen: de Eerste Wereldoorlog maakte meer indruk op de tijdgenoten dan de Tweede.
Mijn vader bedacht een mogelijkheid om de oorlog uit te bannen en ontwierp daarom een spel dat zo groot en ingewikkeld was dat het niet door een man kon worden overzien of worden gespeeld. De gedachte was dat bij conflicten beide partijen een team zouden opstellen om het spel tegen elkaar te spelen en de uitkomst als een soort godsoordeel over het conflict te laten gelden.
Het was wellicht een wat naïeve gedachte, maar het spel werd uitgewerkt in een mythologisch verhaal dat opgeschreven werd in een boekje dat vervolgens in de kast verdween tot 1953. Inmiddels was ik op mijn niveau succesvol met schaken en dat was de inspiratie voor mijn vader om dat spel uit 1917 nog eens uit de kast te halen. Het leidde tot een discussie over mogelijkheden en onmogelijkheden en die inspireerden mijn vader   tot het maken van een vereenvoudigde versie van het spel uit 1917. de vereenvoudigde versie werd Superschaak genoemd. En in dit Superschaak gaat het om de koningin. Vanuit emancipatorisch oogpunt toch een aardige gedachte dat het bij het schaakspel weliswaar gaat om de koning, maar bij het superschaak gaat het om de koningin.

zaterdag 30 juni 2018

Morgen

Het Financieel Dagblad geeft me wekelijks een katern onder de titel Morgen. Dit katern houdt me op de hoogte van de ontwikkelingen op technisch gebied, de voorspellingen die daaraan kunnen worden verbonden en de zorgen die redacteuren en anderen met ons willen delen. Vandaag laat Annet Aris ons zien dat in de digitale wereld alleen de beste overleeft - hij wint de gouden medaille. Er is in de digitale wereld geen plaats voor een zilveren of bronzen medaille. De winnaar krijgt alles. Het is een wereld die voor Annet niet vreemd lijkt. In de roeisport die ze zelf beoefende ging het op dezelfde manier. Er werd alleen een gouden medaille uitgereikt. Deze ontwikkeling in de digitale wereld lijkt me een situatie die noodzakelijk tot verdeeldheid moet leiden. Het is de wereld van de beste en de rest.
Het is wellicht daarom niet zo opmerkelijk dat in datzelfde katern Jaap-Henk Hoepman van mening is dat we ons moeten verzetten tegen technologie die ons opdeelt. Hij ziet hoe de technologische ontwikkelingen ons niet dichterbij elkaar brengen (zoals hij kennelijk vroeger heeft gedacht) maar ons integendeel verdelen. Hij pleit er daarom voor dat ontwerpers nadrukkelijk ontwerpen voor een menselijke wereld.
De opvatting vaan Jaap-Henk heeft mijn sympathie. Het zou goed zijn als we naar een maatschappij onderweg waren waarin iedereen meetelt. Ik moet hier even denken aan de voorzitter van de schaakclub, waarvan ik lid was. Een sociaal en betrokken mens. Hetgeen misschien niet zo vreemd was omdat hij tevens directeur was van de Levensschool. In die rol trachtte hij alle leerlingen het gevoel mee te geven dat ze de moeite waard waren, waardoor ze allemaal een belangrijke rol konden vervullen in de maatschappij.
Als voorzitter van de schaakclub probeerde hij dan ook aan aan het eind van het seizoen iedereen het gevoel te geven dat het maar een haar had gescheeld of ze waren net als Timman kampioen van Nederland geworden. Om praktisch redenen beperkte hij zich echter bij het uitreiken van de prijzen tot de leden van de schaakclub zelf. Er was dus een prijs voor de clubkampioen, voor de hoogste scores van ieder team in de externe competitie, de hoogste scores voor ieder team in de interne competitie, maar er waren ook troostprijzen voor degenen die de laagste scores hadden gehaald. Het gevolg was dat aan het eind van het seizoen bijna ieder lid van de vereniging met een prijs naar huis ging.
De voorzitter ging er mijns inziens terecht van uit dat je alleen kunt winnen als er iemand is die verliest. Daarmee is de verliezer even onontbeerlijk als de winnaar. Tot de primitieve kanten van de menselijke samenleving behoort het echter dat we helden vereren. Maar helden ontstaan alleen als er ook anderen zijn. Die anderen zijn daarmee even belangrijk als de helden.
Hoewel dus de idee van Jaap-Henk Hoepman mij zeer aanspreekt (het is niet voor niets dat ik een voorstander ben van open software) ben ik bang dat de ontwikkeling die Annet Aris signaleert een betrouwbaarder kompas zal zijn. De digitale ontwikkeling wordt namelijk niet gestuurd en is ook niet te sturen.
Maar er zou wat gestuurd kunnen worden wellicht als we konden afstappen van de uit de hand gelopen opvattingen over privaat eigendom. De idee van privaat eigendom, is aannemelijk, heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van onze maatschappij, zij het dat ook daaruit al een scheiding is ontstaan tussen have's en havenot's.
Het onverkort doortrekken van dit principe waar het gaat om het recht op een idee is discutabel. Een langdurig patentrecht heeft een remmende invloed op de ontwikkeling.
En de mogelijkheid zoals de door Annet Aris gesignaleerde digitale monopoly positie is ronduit maatschappij ontwrichtend.
De maatschappij zal echter vermoedelijk nog wat verder ontwricht moeten worden voor men er achterkomt, dat marktwerking niet alleen zaligmakend is.
Het is zelfs denkbaar dat we onderscheid gaan maken tussen het gebruik van nieuwe ontwikkelingen - waar het principe van de winnaar krijgt alles wel kan worden toegepast : we noemen dat standaardisatie - en het verdelen van de revenuen waarvoor zou kunnen gelden dat die iedereen ten goede kunnen komen.   
 

donderdag 31 mei 2018

Een aardigheidje

Voor de afspraak moest ik niet ver van St. Job in 't Goor zijn. Ik was ruimschoots op tijd op weg gegaan omdat de kans bestond dat er onderweg een zwaar onweer langs zou komen. Maar nu ik al zover was bedacht ik ter hoogte van de Lidl dat het wel aardig zou zijn een aardigheidje mee te nemen voor de gastvrouw die de afspraak had geregeld. Het was uiteindelijk de eerste keer dat ik haar nieuwe huis zou bezoeken.
Het was druk in St Job, een verrassend lange file in beide richtingen van en naar het stoplicht. Ik zocht enige tijd naar een parkeerplaats en vond die uiteindelijk voorbij het stoplicht naar links aan de kant van de weg. Ik wandelde terug de hoek om naar de Lidl en zag daar dat er bij de supermarkt voldoende parkeer ruimte was geweest als ik maar op tijd de file had gesneden en was overgestoken. De eerste objecten die ik na binnenkomst tegen kwam waren een aantal bloeiende plantjes in een keurige plastic verpakking, precies wat ik nodig had, dacht ik.
Met mijn vangst sloot ik me aan in de rij voor de kassa die slechts langzaam vorderde, en betaalde uiteindelijk. Toen ik buiten kwam en mijn vangst wat nauwkeurige bekeek, zag ik dat de blaadjes er wel erg slap bij hingen. Niet zo vreemd bij de heersende temperatuur van 28 graden.
Maar wat nu? Zo'n verwelkt plantje is zelfs niet bruikbaar als aardigheidje.
Gelukkig, bedacht ik, had ik nog een flesje water in de auto. Misschien had ik nog wel tijd genoeg om plantje en water bij elkaar te brengen.
Ik liep weer terug naar de auto en moest toen, gelet op het langsrijdende verkeer voorzichtig instappen. Ik pakte het flesje water en draaide de dop eraf. Met het plantje in de en hand en het flesje in de andere goot ik voorzichtig  maar wel gedecideerd een scheut water in de pot en voelde tot mijn schrik dat het ongeremd in het kruis van mijn broek liep.
Het was nog niet zo eenvoudig om zittend in de auto met het flesje in de ene en het potje in de andere hand. een eind te maken aan het ongerief. Terwijl ik het flesje weg zette lekte het potje nog even door en zat ik in een plasje water. Enfin na enige tijd had ik de auto weer min of meer droog, het onbruikbare aardigheidje achter me in de auto en kon ik met een natte broek verder naar mijn bestemming.
Het was een lichtelijk gênante situatie en goed dat ik mijn gastvrouw al zolang ken.

maandag 14 mei 2018

Rijk

In het FD.weekend van 12 mei is een katern gewijd aan de mogelijk 'verpletterende' gevolgen van plotseling verworven rijkdom. Mensen die door erfenis of loterij plotseling beschikken over een zeer groot vermogen blijken daarmee niet noodzakelijk gelukkig te zijn.
Sommigen raken gedesoriënteerd, verslaafd aan drank, drugs of seks of vereenzamen, omdat ze niet weten hoe met dat geld om te gaan.
Gelukkig is in onze maatschappij van alles mogelijk. Er zijn dus ook al weer adviesbureaus die zich hebben gespecialiseerd in dit soort probleem gevallen, want 'hoe vermogender de familie, hoe groter de problemen'.
Het verhaal wil dat de eerste generatie het geld verdient, de tweede het beheert en de derde het opmaakt. Dat blijkt niet te kloppen. In vele gevallen is het juist de tweede generatie die het geld alweer opmaakt.
En toch hoopt iedereen op de hoofdprijs uit de lotto of de postcode loterij. Iedereen?
Voor de deur van de supermarkt stond een citroen stationcar Xsara. Hij had ruim 200 000 kilometer gelopen, was APK-gekeurd en werd aangeboden voor € 1250.
'Een koopje', zei ik tegen de man die ik iedere week daar tegenkom.
Hij liep eens om de auto heen, bekeek het interieur en constateerde toen:
'Hmm, kost alleen maar geld. Nee dan ga ik liever op mijn brommertje, dan kom ik overal waar ik wil wezen.'
'Ja, en je vrouw dan?'
'Die gaat mee op dat brommertje, geen enkel probleem. Wat moet ik met zo'n auto voor de deur?'
'Tja en dan moet je nog de verzekering en de motorrijtuigenbelasting...'
'Nee, kost allemaal geld, laat mij nou maar mijn brommertje.'
Zou hij meedoen aan de Postcode loterij?

Technologische ontwikkeling

In de zomer van 1688 beviel de koningin van Engeland van een gezonde jongen. Niets bijzonders zult u zeggen. Maar de (stief) schoonzus van de koningin vertrouwde de zaak niet helemaal. De koningin (Maria van Modena) was inmiddels al vijftien jaar met James II getrouwd en was zijn tweede vrouw.  Ze had voordien alleen maar miskramen en doodgeboren kinderen ter wereld gebracht. En tussen haar laatste zwangerschap en die van 1688 zat ook al weer 6 jaar. Daar kwam bij dat de nieuw geboren prins erfgenaam zou zijn van de Britse troon.
James II was in 1659 in Breda getrouwd met de protestantse, niet adellijke Anne Hyde en had uit dat huwelijk twee dochters overgehouden (Mary en Anne); zijn tweede vrouw was katholiek en dat bleek goed aan te slaan bij James. James werd ook katholiek, een gebeurtenis van geopolitieke betekenis.
De protestanten in Engeland waren daar ook niet erg blij mee.
Uit de correspondentie tussen de beide zussen Mary (die inmiddels in Den Haag zat als vrouw van stadhouder Willem III) en Anne kunnen we afleiden dat Anne het sterke vermoeden had dat het kind een ondergeschoven kind was, mogelijk in de kraamkamer binnengebracht in een beddenpan. haar argwaan werd versterkt doordat ze gedurende de zwangerschap nooit bij haar schoonzus werd toegelaten terwijl die zich aan het kleden was. Bovendien kwam het kind plotseling ter wereld terwijl Anne een paar dagen weg was. De argwaan bleef niet beperkt tot Anne. De geruchten waren zo veelvuldig dat James II een speciale bijeenkomst belegde waarin meer dan veertig edelen uit de naaste omgeving verklaarden dat het kind echt van Maria van Modena was. DNA testen waren toen nog niet mogelijk. DNA bestond in die tijd nog niet.

In 2018 kreeg ik een achterkleinzoon, waarvan al tijdens de zwangerschap was vastgesteld dat er een kleine afwijking in het hart was. Het kind kwam 'gewoon' ter wereld, zij het dat de bevalling plaats vond in h et ziekenhuis in Calais en dat de cardioloog binnen een uur na de geboorte aan de wieg stond. De ouders weten dat het in het eerste half jaar in Parijs zal worden geopereerd. Het kind zal daartoe per helikopter van Calais naar Parijs worden vervoerd.
Een wereld van verschil tussen beide geboorten. Het is een verschil dat ook de democratiserende werking van de technische ontwikkeling laat zien.

woensdag 28 maart 2018

Kan het ons eigenlijk wat schelen?

Het is op het ogenblik wel vrijwel zeker: vanuit Rusland zijn pogingen in het werk gesteld om de Amerikaanse verkiezingen te beïnvloeden met als gevolg dat Trump is gekozen als president.
Het feit op zich wordt nauwelijks meer tegen gesproken, de vraag is nog hoe sterk was de invloed?
De openbare aanklager Muller zal dat wel uitzoeken.
Het lijkt erop dat ook het Brexit referendum anders had kunnen aflopen. Het lijkt er op dat Cambridge Analytica met Big Data van o.m Facebook ook dat proces heeft beïnvloed.
In beide gevallen (Amerikaanse verkiezingen en Brexit) waren de marges maar klein. En in beide gevallen was de uitkomst niet verwacht en slechts door een enkeling voorspeld.
Maar wel bleek dat de pogingen de stembusuitslag te beïnvloeden niet waren beperkt tot de VS en het UK. Volgens de berichten werden dezelfde trucs uitgehaald of gepland voor andere verkiezingen in andere landen.
Het lijkt duidelijk: het internet heeft behalve grote voordelen ook wat bezwaren. Die bezwaren zitten met name in het onvoldoende gevoel voor veiligheid bij de gebruikers.
In BNDeStem van vanmorgen is het een openingsartikel: Roep om stemcomputer kansloos.
Het blijkt dat er in enkele gemeenten wat onregelmatigheden hebben plaatsgevonden tijdens de verkiezingen voor de gemeenteraden.
De burgemeester in Bergen op Zoom wil daarom terug naar de stemcomputer. Ik kan me die verzuchting van de burgemeester wel voorstellen. Ik heb - zij het lang geleden - wel meegewerkt op stembureaus. Bij een lage opkomst is het de hele dag wachten op de kiezer. En dan: na sluitingstijd de stress om de stembiljetten te ordenen en te tellen, en vooral de tellingen te controleren en de uitslag zo snel mogelijk doorgeven. En de burgemeester is uiteindelijk verantwoordelijk voor de goede gang van zaken in de stembureaus. 
Voor dat soort situaties is de stemcomputer een uitkomst. Zodra de deur achter de laatste kiezer is gesloten, druk je op de knop en rolt de uitslag uit de machine. En als je de machines nu aan elkaar koppelt, hoef je ook niets meer door te geven: het regelt zich vanzelf.
Maar dan: hoe zat het ook alweer? We hadden toch een tijdlang stemcomputers? Waarom hebben we die toen ook al weer afgeschaft? Was het niet omdat de controle op de uitslag niet werd vertrouwd? Was het niet omdat toen werd beseft dat de computer manipuleerbaar was?
Zoals gezegd: Ik kan me de verzuchting van de burgemeester wel voorstellen. Maar ik lees in hetzelfde artikel dat ook de VNG (de Vereniging van Nederlandse Gemeenten) vindt dat de stemcomputer maar weer moet worden ingevoerd. Argument: het spaart arbeidsuren.
Weet ook de VNG niet meer waarom we met de hand moeten stemmen? 
Het geeft mij het gevoel: we lezen niets, we horen niets en we zien niets. Of het groeit ons boven het hoofd en we kunnen het niet meer overzien. Of: 
De veiligheid van onze democratie interesseert ons helemaal niets.
Arbeidsuren uitsparen dat is belangrijk.
Over de vreugden van het internet: Het aantal pogingen om via het internet mensen te plukken neemt hand over hand toe. Wat blijkt: mensen worden opgebeld door iemand die zich voordoet als vertegenwoordiger van Microsoft met de smoes dat er iets in de software niet goed is. En aangezien mensen meestal goed van vertrouwen zijn geven ze de 'persoon van Microsoft' toegang tot hun computer en laten hun bankrekeningen leeghalen.
Voorwaar een lucratieve bezigheid. Alleen niet voor de slachtoffers.
O ja, een artikel over deze vorm van diefstal stond of staat in dezelfde aflevering van BNDeStem. Er wordt geen verband gelegd tussen de verschillende fenomenen. En terecht toch?
Diefstal is iets anders dan gedragsbeïnvloeding, nietwaar?
In de VS heeft Zuckerberg zich bereid verklaard zich te verantwoorden voor het congres voor het misbruik van Facebook. De rel rond Facebook heeft er al toe geleid dat een aantal rijke klanten zijn rekening heeft opgezegd. Hoe ziet u dat? In mijn omgeving ken ik nog niemand die dat voorbeeld heeft gevolgd.
Weet u: de laatste tijd moet ik iedere keer weer denken aan Waterschapsheuvel. Kent u het verhaal nog?
Kan het ons eigenlijk wat schelen?
 

zaterdag 24 maart 2018

Een oude man

Het lijdt geen twijfel. Ik ben een oude man, voor velen misschien wel een vieze oude man, maar daarover wil ik vandaag geen discussie voeren.
Het eigenaardige van het feit dat je een oude man bent (voor oude vrouwen geldt dat trouwens evenzeer) is dat je verleden zo lang is. En dan kan het gebeuren dat er beelden bij je boven komen met het gevoel: er was toch... Zo belde mijn moeder een keer op toen ze 94 was (naar aanleiding van een discussie in het zorg centrum waar ze verbleef) met de vraag:
'Er was toch in het begin van de twintigste eeuw ook een periode dat we zomer en wintertijd hadden? Kijk dat eens voor me na.'
Ik keek en ze had gelijk. In 1916 werd ook in Nederland de zomertijd ingevoerd.
Dat gevoel van er was toch overkomt me tegenwoordig ook zo nu en dan als ik boeken van deze tijd lees.
Zo'n gevoel krijg ik ook als ik het boek van Thierry Baudet (De aanval op de Natiestaat) lees. Thierry betoogt dat de Europese elite vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw met een groot complot bezig is de natiestaat te ontmantelen. Dat kan natuurlijk al geloof ik niet zozeer in een dergelijk complot. Daarvoor is de politiek ter wisselvallig. Maar ik mis in het betoog wel iets.
Wat ontbreekt is de politieke, economische en militaire situatie(s) die bestonden in die tweede helft van de twintigste eeuw.
Toen in 1945 de oorlog met Duitsland eindigde, werd Duitsland verdeeld in vier bezettingszones, een Amerikaanse, een Russische, een Engelse en een Franse.
In die tijd werd de communistische dreiging in Nederland nog serieus genomen, er werd een nieuwe verdedigingslinie aangelegd: de IJssellinie. En voordat ik in 1964 een baan aan kon nemen bij het Rijk moest ikzelf en mijn hele familie onderzocht worden op communistische sympathieën. Toen ik in 1958 voor de eerste keer in de VS zou komen kreeg ik van mijn baas het dringende advies om in mijn paspoort niet te laten zetten dat ik geen kerk aanhing. Mijn identiteit werd bij binnenkomst in de VS vastgelegd op een formulier met een afdruk van alle tien mijn vingers. Van deze politieke werkelijkheid vinden we bij Baudet geen woord terug.
Van de militaire situatie met de wapenrace tussen Rusland en de VS die zijn hoogtepunt vond in de Cuba crisis (ik kan me nog het gevoel van opluchting herinneren, ik voer  toen in de Caraïbische Zee, toen Rusland besloot zijn raketten van Cuba terug te trekken.) vinden we bij Baudet niets terug. Die militaire werkelijkheid bracht onder meer met zich mee dat het nog in 2005 nieuws was dat Amerika een aantal Amerikaanse bases in Duitsland sloot.   
Ook van de val van de Muur tussen Oost- en West-Berlijn lijkt Baudet geen weet te hebben, noch ook van het feit dat met die val opnieuw een nieuwe politieke realiteit ontstond met onder meer de vraag hoe wordt de relatie tussen Frankrijk en Duitsland zou moeten worden, hoe gaan we om met die landen die plotseling het gevoel kwijt waren onder de druk van Moskou te leven. 
Voor Baudet lijkt het woord staat een abstracte, juridische werkelijkheid ontstaan ergens in de 17e eeuw toen een goed kanon een kogel over een afstand van 3,5 km kon laten inslaan. Het lijkt erop dat voor Baudet de wereld sindsdien niet veranderd is en dat dat dus ook geen gevolgen heeft voor zijn beeld van het begrip staat.
Tegenover het boek van Baudet over de Aanval op de Natiestaat (2012) staat het Engelse boek van Alan S. Milward The European Rescue of the Nation State (2000). (Hoe Europa de Natiestaat Redde) dat wel ingaat zowel op de feitelijke omstandigheden in Europa als op de ontwikkeling van het begrip staat. (dit boek wordt niet genoemd in de bibliografie bij het boek van Baudet.)
Het grote vergeten van het verleden vinden we niet alleen bij Baudet. In The Dumbest Generation betoogt Mark Bauerlein dat de algemene kennis van de wereld bij de Amerikaanse jongeren onrustbarend afneemt met name door het toenemend beeldscherm gebruik. (computers, tablets, games, televisie). Misschien een demonstratie van zijn observaties vinden we bij Koen de Leus (Winnaarseconomie):
'Gedurende meer dan vijftigduizend jaar modderden de mensen maar wat aan en konden ze amper in levensonderhoud voorzien.'
Inderdaad het wereldbeeld van een onbenul.
En dat komt allemaal voorbij als je ouder wordt. 


maandag 12 maart 2018

Democratie

Tegelijk met de stempas viel ook de Verkiezingskrant 2018 in de bus. In de Verkiezingskrant presenteren 14 politieke partijen zich voor de verkiezingen die over een goede week moeten plaatsvinden.
Ik zeg veertien maar helemaal zeker ben ik er niet van. Want op een van de bladzijden staat een presentatie van Surplus. Is dat ook een politieke partij? Het zal wel niet. Maar de advertentie is van dezelfde grootte is als de advertenties van de politieke partijen.
In de advertentie van de Bredase Stadspartij lees ik dat er steeds minder Bredanaars de moeite nemen om hun stem uit te brengen. Bij de verkiezingen van 2010 en 2014 was dat nog maar 48,1% resp. 47,9% van de kiesgerechtigden. Met getallen kun je goochelen. Toen ik in 1970 in Breda kwam werden ook verkiezingen gehouden. Het waren de eerste gemeenteraadsverkiezingen na het afschaffen van de opkomstplicht. De opkomst in Breda was toen ongeveer 54%.
Maar de bevolking van Breda was toen ongeveer 120 000 tegen nu ongeveer 180 000. Het is dus maar de vraag of het aantal opgekomen kiezers sindsdien wel zoveel kleiner is geworden. Het is ook maar de vraag of het erg is. Een hoge opkomst betekent meestal dat er iets erg mis is. Misschien dat een opkomst van ongeveer 50% wel een aanwijzing is dat de burger relatief tevreden is over zijn bestuur.
Wat willen veertien partijen voor Breda?
Om te beginnen bij de laatste partij in deze verzameling: de Stadspartij is voorstander van de direct gekozen burgemeester, referenda en een betere weerspiegeling van de samenleving in de gemeenteraad. Dat betekent vermoedelijk dat de huidige vertegenwoordiging niet goed is of niet goed genoeg. De stadspartij vindt dan ook dat menswaardige zorg een recht is dat alle inwoners toekomt.
50Plus, dat zich solidair verklaart met jong en oud, wil dat voor zorgtaken bestemd geld uitsluitend aan die zorg wordt besteed en niet wordt ingezet voor andere doelen.
Zorg is een belangrijk punt voor alle partijen die daarmee aan willen geven ook sociaal met de inwoners mee te denken. Begrijpelijk, want iedereen merkt dat de zorg een steeds groter aandeel van de begroting opslorpt.
Maar afgezien van de zorg blijken alle politieke partijen het beste voor te hebben met Breda. En dat doet een mens goed. Maar noch uit de Verkiezingskrant, noch ook uit het verkiezingsdebat dat een week werd gehouden was er veel veel verschil te bespeuren tussen de partijen. Hetgeen vermoedelijk betekent dat het ook niet veel uitmaakt op welke partij je stemt.
Ik hoor wel eens mensen die vinden dat het grote aantal partijen de dood in de pot is voor de democratie. Ik kan die opvatting eigenlijk niet delen.
Goed beschouwd zouden verkiezingen waarin 39 partijen de 39 zetels van de Bredase gemeenteraad de meest democratische afspiegeling zijn van de bevolking denk ik. Als je het aantal zetels nog wat uitbreidt en rekening houdt met de lage opkomst kom je met de raadsvergaderingen al gauw in de buurt van een referendum. En sommige partijen noemen zich daar een groot voorstander van. Directe democratie.
Vroeger spraken we over die directe democratie wel als over de bekende Poolse landdag.