vrijdag 29 september 2017

Ideeën en de werkelijkheid

Er is alle aanleiding om de oorsprong van de westerse beschaving te zoeken in het gebied rond de Noordzee. Hier zien we hoe vanaf de 8e eeuw de handel tussen de Lage landen (met name Vlaanderen), Engeland, het Oostzee gebied en (via de grote rivieren) het Byzantijnse rijk de groeiende welvaart in Noordwest Europa veroorzaakte en onderhield. Het is alleszins aannemelijk dat langs deze route ook informatie naar het Noordwesten vloeit over kennis en opvattingen van klassieke Griekse schrijvers en denkers.
De technische ontwikkeling ging ook in de 8e eeuw door met bijv. de invoering van de halster en stijgbeugel, waardoor uiteindelijk paarden meer geschikt werden zowel voor landarbeid als voor de oorlogsvoering, met de introductie van de ijzeren ploeg die de de opbrengst van de landbouw verhoogde, terwijl watermolens een grotere rol gingen spelen bij de energie­voorziening. De verbeteringen in de scheepsbouw (bij Friezen, Denen en Vikingen) maakten het mogelijk om grotere reizen te doen en zwaardere vrachten te vervoeren.
De gevolgen waren duidelijk: de mens werd in toenemende mate onafhankelijk van de grillen van de natuur. De voedselproductie steeg boven het niveau dat noodzakelijk was voor het bestaansminimum. Er ontstond een steeds grotere diversiteit in beroepen heel nadrukkelijk bijv. in de textielindustrie. We kunnen ook zien hoe in de loop van de 9e eeuw het economisch zwaartepunt geleidelijk verschoof naar het westen.
Met de groeiende welvaart ontstond ook meer ruimte voor de bedenkers van de ideeënwereld. Er was ruimte voor mensen die zich niet noodzakelijk bezig hoefden te houden met de productie van de welvaart waarvan zij genoten. De ideeënwereld en reële wereld groeiden geleidelijk uit elkaar. Daarmee was men in Europa ongeveer weer terug in de situatie die ons is overgeleverd uit de Griekse tijd. Vrije mannen discussieerden over de wereld, waarvan de realiteit werd ingevuld door slaven. Er was een (toch niet onbelangrijk) verschil, in Europa werd de reële wereld ingevuld door vrije boeren en vrije ambachtslieden. Deze vrije boeren en ambachtslieden stuwden geleidelijk de technische ontwikkeling.
In de 18e eeuw was de afstand tussen ideeënwereld en reële wereld zover gegroeid dat mensen als Rousseau en Voltaire volstrekt tegenovergestelde ideeën ontwikkelden over een betere toekomst voor de maatschappij. Het lijkt erop dat de Verlichtingsideeën van Voltaire, c.s. aanvankelijk de overhand hadden.
Op zich niet zo gek: want de technici bouwden door aan het gebruik van de materie. En dat ging steeds met stappen die passen in of die beantwoorden aan wat de Verlichting denkers rationeel noemden. De conclusie is duidelijk: rationaliteit zou de antwoorden geven voor alle vraagstukken van de maatschappij. Eigenlijk zou de maatschappij dus geheel op rationele wijze moeten worden ingericht. Wetenschap en techniek verschaften het paradigma voor de komende tijd. Meten is weten. Meten, analyseren, experimenteren, het gebeurde op elk terrein, tot en met de de mens en zijn hersens toe.
Er zit een kleine maar wel fatale misvatting in de redenering. Men redeneert alsof de maatschappij en de techniek twee afzonderlijke zaken zijn. Maar techniek en mens vormen samen de maatschappij. Zij zijn een geheel. In iedere analyse van de maatschappij moeten dan ook de mens en de technologie waarover hij beschikt in de maatschappij waarin hij leeft gezien worden als een geheel. De acties van de mens zijn steeds actie in en met de beschikbare techniek.
We moeten bij deze beschouwing een paar dingen in aanmerking nemen. Het is de aard van de westerse maatschappij die maakte dat hier een snelle (in vergelijking met andere delen van de wereld) technologische ontwikkeling plaatsvond. Die aard kan men omschrijven als een maatschappij bestaande uit een aantal autonome landen die elkaar eeuwenlang naar het leven stonden, maar ook met elkaar concurreerden en desondanks op wetenschappelijk en technisch gebied intensief informatie uitwisselden. Bovendien een maatschappij die in zich expansief was en is en bij voorkeur haar macht gebruikte om haar wil aan anderen op te leggen. Daardoor groeide die maatschappij als een technologische (en daarmee militaire) grootmacht. Het was de interactie tussen de landen die tot de westerse maatschappij werden gerekend die de snelle groei mogelijk maakte. Gevolg is dat er aan het eind van de 19e eeuw een eerste vorm van globalisering plaats vond waarbij de technologisch minder ontwikkelde landen plotseling geconfronteerd werden met de producten van een andere wereld die de moderne wereld werd genoemd. Het werd een periode van machteloze woede en verontwaardiging die leidde tot conflicten en aanslagen.
Zoals gezegd gaf de welvaart van de westerse wereld ook aanleiding tot steeds verdergaande specialisatie. Er kon een hele groep disciplines ontstaan die na hun vroege jeugd nooit meer in aanraking kwamen met de voortbrengselen van de technische mens. Als zij wel uit hun isolement in de moderne tijd terecht kwamen, ontstond ook een schokervaring, door Toffler zeer adequaat aangeduid als future shock. De future shock zien we bij voorbeeld bij intel­lectuelen aan de rand van de typisch westerse wereld, zoals Oost Europa. Dostojewski bijvoorbeeld en Heidegger. In hun onvermogen in te stappen in de moderniteit richtten zij hun pijlen op de ideeën wereld die naar zij dachten aan de moderniteit ten grondslag, de wereld van de Verlichting: het rationalisme. Door de ratio te betwisten schiepen ze minstens verwarring bij vakgenoten die net zoals zij de feitelijke technische ontwikkeling slecht bij tussenpozen en oppervlakkig ontmoetten. Daardoor kan Tinneke Beeckman constateren dat het postmodernisme de democratie om zeep bracht. Dit lijkt niet geheel terecht. Zoals Zimmerman al in de jaren zestig van de 20e eeuw zei: de automatisering bracht niet zozeer de zijden kousen naar de elite maar zorgde ook voor de nylonkousen van de arbeidersvrouw. En nu in een periode waarin iedereen lijkt te beschikken over een smartphone, een auto en een reisgids voor de noodzakelijke vakantiebestemmingen is het duidelijk dat de technologie democratiserend werkt. Daar komt bij dat er een toenemend wantrouwen lijkt te groeien ten opzichte van kennis en wetenschap. Illustratief is een tv-programma waarin leken het opnemen tegen gediplomeerde artsen en een redelijke kans maken een beter resultaat te hebben bij het stellen van diagnoses. Vervolgens blijkt de ongeletterde bevolking in staat de president te verkiezen van de VS. Democratisering: niet in de ideeënwereld maar in de reële wereld.

Discussies in de ideeënwereld gaan natuurlijk gewoon door. En ondertussen is de techniek zo ver gevorderd dat ze denkprocessen kan nabootsen. Met de vastgeroeste idee dat het gaat om de mens. Als men de techniek niet ziet heeft men niet in de gaten dat het gaat om de mens én zijn techniek.     

Geen opmerkingen: